Onderneming in Nederland gevestigd

02 juni 2020

Rechtbank Den Haag oordeelt dat een onderneming in Nederland is gevestigd. De onderneemster verbleef merendeels in Nederland. Zij had haar onderneming in Nederland ingeschreven in het Handelsregister. Bovendien stond Nederland als vestigingsadres op overeenkomsten en de website van de onderneming.


Eind 2011 begint een vrouw een onderneming. Haar ondernemingsactiviteiten zijn vertalen en bemiddelen bij overeenkomsten. In juli 2012 sluit de onderneemster een agentuurovereenkomst met een bv. De vrouw en de bv komen overeen dat zij mogelijke klanten voor de bv benadert. Vervolgens begeleidt de onderneemster de klanten in de contacten met de bv.
Door de onderneemster is de bv in contact gekomen met het Institute of Applied Technologies. Dat heeft interessante opdrachten opgeleverd. Op 1 oktober 2014 laat de vrouw haar onderneming uitschrijven uit het Handelsregister. Dat heeft geleid tot een vaststellingsovereenkomst (VSO) tussen de vrouw en de bv. In deze VSO is een beëindigingsvergoeding voor haar opgenomen. Partijen hebben de VSO op 31 mei 2015 gesloten. In mei 2016 richtte de vrouw een nieuwe onderneming op, geregistreerd in de Verenigde Arabische Emiraten. Zij draagt geen omzetbelasting af. De Belastingdienst heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd.
Bij Rechtbank Den Haag is naheffingsaanslag plus boete in geschil. De vrouw is van oordeel dat zij in Nederland geen omzetbelasting is verschuldigd. Zij vindt dat zij haar onderneming in de Verenigde Arabische Emiraten heeft, althans daar in ieder geval een vaste inrichting heeft. De rechtbank is het hier niet mee eens en komt tot het oordeel dat zij in Nederland haar onderneming heeft. In de periode 2012-2016 heeft zij een groot aantal dagen in Nederland verbleven. Verder is de eerste onderneming ingeschreven in Nederland. Ook op de VSO is vermeld dat de onderneming in Nederland is gevestigd. Dat geldt ook voor de overeenkomsten die de onderneming aanging en vermelding op de website. De rechtbank vindt dat de onderneemster in Nederland omzetbelasting verschuldigd is.
De rechtbank vindt verder dat de beëindigingsvergoeding een soort afkoopsom is, vanwege het afzien van verdere rechten uit de agentuurovereenkomst. De omzetbelasting over die afkoopsom is verschuldigd in het tweede kwartaal van 2015 vanwege de ondertekening van de VSO op 31 mei 2015. De Belastingdienst heeft de naheffingsaanslag opgelegd over het eerste kwartaal 2016. De rechtbank vernietigt die naheffingsaanslag en de boete.

Bron: Rb. Den Haag 26-03-2020, nr. AWB - 19 _ 7001 (gepubl. 22-05-2020) (ECLI:NL:RBDHA:2020:4467)