Hoge Raad verduidelijkt onderzoeksplicht inspecteur

14 september 2020

De inspecteur hoefde niet te twijfelen aan de ingediende aangifte. De aanwezigheid van een aanzienlijke kans op een voordeel uit aanmerkelijk belang sluit niet uit dat het voordeel toch niet wordt genoten. Daarom hoeft de inspecteur niet het dossier van de fiscale partner te raadplegen bij het opleggen van een aanslag.


Een echtpaar is gehuwd in gemeenschap van goederen. De vrouw was dga. In 2010 is de man overleden. Het vermogen van de bv van de vrouw ten tijde van het overlijden van de man bestond volledig uit beleggingen. In de aangifte inkomstenbelasting van de man over 2010 gaven de erfgenamen wel een aanmerkelijk belang in een bv aan, maar geen fictief vervreemdingsvoordeel.
De inspecteur legde een navorderingsaanslag op ten name van de overleden man voor de fictieve vervreemdingswinst. Het hof heeft geoordeeld dat de Belastingdienst de navorderingsaanslag ten onrechte heeft opgelegd. De inspecteur heeft namelijk een ambtelijk verzuim begaan. Hij moet volgens het hof het dossier van de fiscale partner raadplegen bij het opleggen van de aanslag. Er bestaat volgens het hof namelijk een aanzienlijke kans dat bij de man een voordeel uit de fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang in aanmerking zou moeten worden genomen.
De Hoge Raad is het niet eens met dit oordeel. De inspecteur mag bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV uitgaan van de juistheid van de gegevens die de belastingplichtige in zijn aangifte vermeldt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Soms moet de inspecteur wel een nader onderzoek doen. Dat is het geval als hij aan de juistheid van enig in de aangifte opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Als de mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn, is er geen reden voor twijfel. De aanwezigheid van een aanzienlijke kans dat een voordeel uit aanmerkelijk belang bestaat, sluit niet uit dat de mogelijkheid bestaat dat de aangifte toch juist is. De Hoge Raad ziet geen redenen voor de inspecteur om het dossier van de partner te raadplegen. Er is geen sprake van een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat.

Bron: HR 11-09-2020, nr. 18/03850 (ECLI:NL:HR:2020:1411); PHR 26-06-2019, nr. 18/03850 (gepubl. 02-08-2019) (ECLI:NL:PHR:2019:707); Hof Den Haag 07-08-2018, nr. BK-18/00502 (gepubl. 14-08-2018) (ECLI:NL:GHDHA:2018:2025)
Wet: art. 16 lid 4 AWR