Fiscaal genietingsmoment ligt bij afronding

13 oktober 2020

Een recht op een managementparticipatie ontstaat als de onderhandelingen tussen werkgever en werknemer zijn afgerond. Pas op dat moment wordt het loon fiscaal genoten.


Aan een bv is over het tijdvak 1 december 2014 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd van € 200.200. De naheffingsaanslag heeft betrekking op het loon uit managementparticipatie ad € 385.000.
Op 1 januari 2012 is een werknemer in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van de bv. Voorafgaand aan de aanvaarding van de dienstbetrekking hebben onderhandelingen plaatsgevonden waarin onder meer de nieuw te vormen managementparticipatieregeling wordt genoemd. In de arbeidsovereenkomst van 14 december 2011 zijn de arbeidsvoorwaarden opgenomen met uitzondering van de voorgenomen managementparticipatie. In de periode 2012 tot en met 2014 zijn diverse gesprekken gevoerd over de managementparticipaties. Pas in maart 2014 is door de bv een eindvoorstel gedaan waarna overeenstemming is bereikt over de essentialia van de overeenkomst.
Bij vaststellingsovereenkomst van 26 november 2014 zijn de bv en de werknemer overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd per 31 december 2014. In deze overeenkomst zijn tevens afspraken opgenomen over de managementparticipatie. De werknemer zal voor € 400.000 een aantal van 667 certificaten van aandelen in de bv kopen en geleverd krijgen. Verder is bepaald dat de werknemer per 1 januari 2015 kwalificeert als Goede Vertrekker en de beëindiging van het dienstverband leidt tot een verplichte terugverkoop van de certificaten. Op 14 april 2015 zijn de certificaten van aandelen door de werknemer verkocht en terug geleverd voor een bedrag van € 785.000.
In geschil is of het verschil tussen de aan- en verkoopprijs van de certificaten ad € 385.000 loon is in de zin van art. 10 lid 1 Wet op de loonbelasting 1964 en zo ja, in welk jaar dit loon is genoten.
De inspecteur stelt dat de waardestijging van € 385.000 in 2014 belastbaar loon vormt. De bv stelt zich op het standpunt dat de waardestijging tot het box 3-vermogen behoort.
De rechtbank overweegt dat zonder overeenstemming over de essentiële elementen van een overeenkomst, geen overeenkomst tot stand komt. De rechtbank oordeelt dat uit de stukken niet blijkt dat de overeenkomst reeds voor of op 1 januari 2012 tot stand is gekomen. Pas in 2014 werd door de bv een eindvoorstel gedaan waarna overeenstemming is bereikt over de essentialia van de overeenkomst. Pas toen was sprake van aanvaarding van het aanbod van de bv door de werknemer. Het verschil tussen de aan- en verkoopprijs van de certificaten van aandelen ad € 385.000 kwalificeert in 2014 als genoten loon. Het beroep van de bv is ongegrond.

Voor de vaststelling of sprake is van belast loon is beslissend wanneer de managementparticipatieovereenkomst tot stand is gekomen. Dit is een feitelijke beoordeling. Na weging van alle factoren concludeert de rechtbank dat de overeenkomst pas in 2014 is overeengekomen. Op basis van de beschikbare informatie lijkt me dit een terechte conclusie.
De bv heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak.

Bron: Rb. Gelderland 31-8-2020, nr. AWB 19/1318 (ECLI:NL:RBGEL:2020:4580)
Wet: art. 10 lid 1 Wet LB 1964