‘Fishing expedition’ of terechte informatiebeschikking?

20 oktober 2020

Een belastingplichtige moet gegevens over zijn wereldinkomen en -vermogen verstrekken als het vermoeden bestaat dat hij of zij als binnenlands belastingplichtige kan worden aangemerkt. De inspecteur heeft dan ook terecht een informatiebeschikking opgelegd.


Een stichting houdt alle certificaten van aandelen in een bv, die (middellijk) alle aandelen houdt in een aantal andere bv’s. Een stichtingsbestuurder is tevens bestuurder van de bv en geniet een salaris van € 54.453. Hij werkt met paarden. Hij bezoekt en organiseert internationale paardenconcoursen. Over 2010 tot en met 2012 doet hij in Nederland aangifte als buitenlands belastingplichtige. Na een boekenonderzoek bij de bv meldt de inspecteur dat feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die doen vermoeden dat de bestuurder als binnenlands belastingplichtige moet worden aangemerkt. De inspecteur vraagt de bestuurder gegevens over zijn wereldinkomen en -vermogen te verstrekken. De bestuurder is het niet eens met de mening van de inspecteur en hij verstrekt de gegevens niet, waarna de inspecteur informatiebeschikkingen aan de bestuurder afgeeft. De man is sinds 31 december 2003 niet meer in Nederland ingeschreven. Van 31 december 2003 tot en met 14 juli 2005 is hij op een adres in België geschreven en sindsdien op een adres in Monaco, waar hij op 13 september 2005 een verblijfsvergunning heeft gekregen. Zijn toenmalige woning in Nederland met paardenstallen, schuur, manege en dergelijke (hierna: bedrijventerrein) heeft hij in maart 1995 via een Zwitserse vennootschap verkocht aan een van de bv’s waarin hij middellijk aandeelhouder is. Zijn woning in België ligt op 3,5 kilometer van het bedrijventerrein. In Monaco huurt hij een appartement, twee studio’s, een kelder en vijf parkeerplaatsen. Voor het hof staat onder meer vast dat:

  • de bestuurder in Nederland de beschikking kon hebben over een woonruimte;

  • hij beschikte over Nederlandse privé-bankrekeningen;

  • hij als aandeelhouder en/of bestuurder is betrokken bij de Nederlandse vennootschappen, daaruit een salaris geniet en een werkplek in Nederland op het bedrijventerrein heeft. Hij is dag en nacht bezig met paarden, waarvan de thuisbasis in Nederland op het bedrijventerrein is.

In geschil is of de informatiebeschikkingen terecht zijn afgegeven. En meer in het bijzonder: leidt het ‘niet uit te sluiten’ (zie hierna) criterium ertoe dat de inspecteur vragen mag stellen over het wereldinkomen en -vermogen van de bestuurder, is er sprake van een ‘fishing expedition’ en is er sprake van schending van het privacy-verbod van artikel 8 EVRM? De rechtbank heeft geoordeeld dat niet valt uit te sluiten dat de bestuurder een duurzame band van persoonlijke aard heeft met Nederland en daarmee binnenlands belastingplichtig is. Daarom heeft de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevraagde gegevens over het wereldinkomen en -vermogen van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing. Het hof oordeelt dat, weliswaar op grond van wat de bestuurder per punt heeft ingebracht, het mogelijk twijfelachtig is of hij daadwerkelijk in Nederland woont, dit niet is uit te sluiten. Daarom mag de inspecteur vragen stellen en gegevens opvragen. Het hof oordeelt dat de gevraagde gegevens redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de Nederlandse belastingheffing. Voor een juiste belastingheffing dient de inspecteur, naast gegevens over de subjectieve belastingplicht, ook te beschikken over de gegevens over het inkomen en vermogen, ook al zijn deze in het buitenland verworven. Deze kunnen licht werpen op de vraag of de bestuurder binnenlands belastingplichtig is. De antwoorden op de vragen kunnen namelijk van invloed zijn op de vraag waar iemand woont. Dit oordeel van het hof betekent tegelijkertijd dat van een ‘fishing expedition’ door de inspecteur geen sprake is. Verder oordeelt het hof dat privacy-verbod van art. 8 EVRM niet is geschonden. Voor zover de handelwijze van de inspecteur inmenging in het privé-, familie en gezinsleven vormt, is zij bij de wet voorzien. En hoewel de omvang van de opgevraagde informatie groot is, is deze essentieel voor de vaststelling van de belastingheffing en daardoor ‘noodzakelijk’ in de zin van art. 8 EVRM. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van de bestuurder tegen de uitspraak van het hof niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De bestuurder krijgt vier weken vanaf de dag waarop het arrest is gewezen de tijd om aan de verplichtingen van de informatiebeschikkingen te voldoen.

Het niet voldoen aan de informatieverplichtingen uit de informatiebeschikking heeft omkering van bewijslast tot gevolg, tenzij dit onredelijk (disproportioneel) is. Indien de rechter oordeelt dat geen omkering van de bewijslast kan plaatsvinden, kan de informatiebeschikking niet in stand blijven. In de hierboven behandelde zaak wilde het hof in deze fase van het geding niet oordelen over de (dis)proportionaliteit van de omkering van de bewijslast, omdat daarvoor nog te veel gegevens ontbraken.

Bron: HR 25-9-2020, nr. 19/05042 (ECLI:NL:HR:2020:1473), Hof Den Bosch 26-9-2019, nr. 17/00593 tot en met 17/00595 (ECLI:NL:GHSHE:2019:3533)
Wet: art. 52a lid 1 en art. 47 lid 1 aanhef en onder a AWR, art. 8 EVRM