Onvoldoende waarschuwing geven kost adviseur € 4,6 ton

14 januari 2021

Als een belastingadviseur zijn cliënten aanraadt een constructie met een Stichting Particulier Fonds op te zetten, moet hij hun wijzen op de bijbehorende risico’s. Daarbij kan hij niet volstaan met algemene waarschuwingen over deze risico’s. Als de cliënten door het krijgen van ontoereikend advies fiscale schade lijden, kunnen zij hun belastingadviseur aansprakelijk stellen voor geleden fiscale schade.


Een echtpaar is in gemeenschap van goederen gehuwd. Het gemeenschappelijk vermogen bedraagt ongeveer € 14,8 miljoen. Het grootste gedeelte van dat vermogen is via een bank ondergebracht in een Luxemburgse beleggingspolis. In 2002 komt de man te overlijden. De helft van het gemeenschappelijk vermogen valt dan in de nalatenschap. De weduwe van de man krijgt het vruchtgebruik over de gehele nalatenschap. Een van haar vier zonen vraagt namens zijn moeder een belastingadvieskantoor om advies over het verminderen van de belastingdruk. Het kantoor adviseert het vermogen onder te brengen in een zelf op te richten lichaam. Het betreft een naar Antilliaans recht opgerichte Stichting Particulier Fonds (SPF).
Het advieskantoor stelt dat de moeder onbelast kan schenken aan de SPF. De SPF kan vervolgens onbelast schenken aan de zonen en hun kinderen. Het kantoor wijst in zijn advies echter niet op alle risico’s en aandachtspunten van een constructie met een SPF. De constructie pakt daardoor niet uit als gehoopt. De Belastingdienst rekent het vermogen van de SPF namelijk toe aan moeder. Uiteindelijk sluiten de partijen een vaststellingsovereenkomst (VSO). Op grond van deze VSO moeten de vier broers en hun echtgenoten ieder € 139.090 en de kleinkinderen samen € 1.381.546 aan belasting betalen.
De broers stellen het belastingadvieskantoor aansprakelijk voor deze fiscale schade. In een tussenvonnis van 7 maart 2018 oordeelt Rechtbank Rotterdam dat de broers voor 20% de schade zelf moeten dragen. Op grond van algemene waarschuwingen van het kantoor hadden zij moeten weten dat het risicovol was om zich met het vermogen van de SPF te blijven bemoeien. Maar de rechtbank oordeelt ook dat het adviesbureau onvoldoende waarschuwingen heeft gegeven. Het belastingadvieskantoor stelt nog dat de fiscale schade hooguit 50% bedraagt van wat de broers aan de fiscus hebben betaald. De betalingsverplichting op grond van de VSO rust namelijk ook op de echtgenoten van de broers, zo redeneert het kantoor. De rechtbank verwerpt echter dit standpunt. Zonder schikking had de fiscus een vordering gekregen op de broers, niet op hun echtgenoten.
Daarnaast eisen de broers een schadevergoeding voor de betalingen die hun kinderen, de kleinkinderen van de erflater dus, op grond van de VSO hebben gedaan. De rechtbank merkt op dat deze betalingen op schenkbelasting zien. Dat is een belasting die niet de weduwe van de erflater, maar de kleinkinderen verschuldigd zouden zijn. De weduwe was volgens de rechter niet verplicht om onbelaste schenkingen te doen aan haar kleinkinderen. De broers kunnen daarom niet namens hun moeder een schadevergoeding vorderen. De kleinkinderen hebben wellicht een zelfstandig recht op schadevergoeding, maar deze vraag valt buiten de huidige zaak. Uiteindelijk veroordeelt de rechtbank het belastingadviesbureau tot het betalen van een schadevergoeding van ruim € 462.552,13 exclusief wettelijke rente.

Bron: Rb. Rotterdam 09-12-2020 (gepubl. 12-01-2021) (ECLI:NL:RBROT:2020:12558), Rb. Rotterdam 07-03-2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:1967)
Wet: art. 6:98 BW scales