Geen geldig excuus voor niet aangeven overdrachtsbelasting

22 februari 2021

Ondanks het feit dat de waarde van de onroerende zaak niet exact vaststond bij de aangifte overdrachtsbelasting, had de koper van de economische eigendom van het erfpachtrecht wel een waarde kunnen aangeven in de aangifte overdrachtsbelasting. Boete is terecht opgelegd.


In 2016 verkoopt een man de economische eigendom van het erfpachtrecht van een onroerende zaak aan een stichting. Deze stichting heeft dan al de juridische eigendom van het erfpachtrecht in bezit. In de aangifte overdrachtsbelasting verwees de gemachtigde die de aangifte deed naar een bijlage. Daarin is echter geen waarde aangegeven. Nadat een gezamenlijke taxatie is verricht en de waarde wordt vastgesteld op € 2,2 miljoen, heeft de Belastingdienst een naheffingsaanslag en een verzuimboete opgelegd. De stichting is het niet eens met de boete. In hoger beroep heeft Hof Amsterdam voor wat betreft mededelingsplicht geoordeeld dat de inspecteur de boete heeft medegedeeld en daarmee aan zijn verplichtingen heeft voldaan. De inspecteur heeft in de motivering ook het verwijt aangegeven dat stichting wordt gemaakt. Het verwijt is dat geen overdrachtsbelasting is aangegeven en betaald. De stichting geeft aan dat zij bij het doen van de aangifte overdrachtsbelasting niet exact wist wat de waarde de onroerende zaak was. Zij heeft daarom verwezen naar de nog te verrichten gezamenlijke taxatie. Daarom is volgens de stichting sprake van een pleitbaar standpunt en daarmee van de afwezigheid van alle schuld (avas). Het hof heeft echter geoordeeld dat het niet verdedigbaar is om in het geheel geen overdrachtsbelasting aan te geven. De stichting kon de overdrachtsbelasting voldoen over een bij haar bekende waarde. De stichting wist ook dat de waarde van de onroerende zaak in ieder geval meer was dan nihil. Ook had de stichting met de inspecteur in overleg kunnen treden om afspraken te maken over uitstel van de voldoening van de overdrachtsbelasting tot de uitkomsten van de gezamenlijke taxatie bekend waren. Die afspraken zijn echter nooit gemaakt. Onder deze omstandigheden kan volgens het hof geen sprake zijn van avas. Het hof handhaaft de boete. De Hoge Raad heeft het ingestelde cassatieberoep ongegrond verklaard.

Bron: Hoge Raad 19-02-2021 (ECLI:NL:HR:2021:256)
Wet: art. 67c AWR