Ingeschreven kind, maar toch geldt uitzendregeling nog

07 april 2021

Een werknemer wordt voor een aantal jaren uitgezonden naar het buitenland. Tijdens die uitzending verblijft hij een periode met zijn kind in de eigen woning in Nederland. Wanneer de werknemer weer naar het buitenland gaat, blijft zijn kind ingeschreven staan op zijn Nederlandse adres. Maar feitelijk bewoont het kind een huurwoning. In zo’n situatie kan de fiscale uitzendregeling volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant van toepassing blijven.


Een werknemer is voor 50% eigenaar van een eigen woning, zijn echtgenote is eigenares van de andere helft. In 2013 wordt de werknemer uitgezonden naar Maleisië. Hij gaat daar wonen met zijn echtgenote en drie kinderen, terwijl hij zijn eigen woning in Nederland aanhoudt. In juni 2016 keert zijn zoon terug naar Nederland om daar te studeren. De echtgenote en jongste dochter van de man gaan mee. In juli 2016 volgt de man zelf. Tot augustus 2016 verblijft het gezin in de Nederlandse eigen woning. In augustus 2016 verlaten de echtgenote en jongste dochter van de man Nederland en later volgt de man zelf. De zoon staat inmiddels ingeschreven op het adres van de eigen woning van zijn ouders. In werkelijkheid bewoont hij een huurwoning. In 2017 is een vergelijkbare situatie aan de orde ten aanzien van de oudste dochter van de man.
De inspecteur stelt dat in 2017 de woning voor de uitgezonden werknemer geen eigen woning meer is. Hij merkt de zoon aan als een derde aan wie de eigen woning ter beschikking staat. En dus is niet voldaan aan de voorwaarden van de uitzendregeling. De rechtbank wijst er echter op dat de zoon en later de oudste dochter met hun moeder de woning hebben betrokken. Op dat moment zijn zij dus onderdeel van het huishouden van een eigenaar van de eigen woning. Tegen de tijd dat hun ouders de Nederlandse woning verlieten, hebben de zoon en oudste dochter al een huurwoning betrokken.
Het is wel zo dat de zoon en later de oudste dochter (een tijdje) ingeschreven hebben gestaan op het woonadres van hun ouders. Maar in die periode wonen zij feitelijk ergens anders. Daardoor valt niet te zeggen dat de woning hen ter beschikking heeft gestaan in een periode waarin zij niet meer tot het huishouden van hun ouders behoren. De Nederlandse woning blijft dus voor de man als eigen woning kwalificeren.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 15-03-2021 (gepubl. 30-03-2021) (ECLI:NL:RBZWB:2021:1195)
Wet: art 3.111 lid 6 Wet IB 2001 scales