Lijfrentevoorziening feitelijk niet met 4% berekend

03 mei 2021

Voor het berekenen van een pensioen- of lijfrentevoorziening is de wettelijk voorgeschreven rente 4%. Door het toepassen van andere actuariële grondslagen zoals kwartaalbetaling vooraf in plaats van kwartaalbetaling achteraf, komt de feitelijke rente op een lager percentage uit. De voorziening is dan fiscaal niet aanvaardbaar.


De dga heeft bij zijn bv een lijfrente bedongen. De bv en de dga zijn overeengekomen dat de dga vanaf 1 december 2014 per kwartaal achteraf uitkeringen ontvangt. Op jaarbasis € 25.000 bruto. Daardoor moet in 2014 de lijfrentevoorziening worden herrekend en hierdoor ontstaat vrijvalwinst. Bij de aangifte vennootschapsbelasting is de dga uitgegaan van een verrekenbaar verlies van € 135.682. De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag vennootschapsbelasting 2014 uitgegaan van een verlies van € 44.235. De dga maakt bezwaar en maakt een nieuwe berekening van de lijfrentevoorziening. Daarin gaat hij uit van een kwartaalbetaling vooraf, de sterftetafel 2013 van Nationale Nederlanden in plaats van de sterftetafels GBM/GBV 2008-2013 en leeftijdsterugstellingen voor de man van zes jaar in plaats van vijf jaar en voor de vrouw zeven jaar in plaats van zes jaar. De vrijval van de lijfrentevoorziening vanwege het ingaan van de lijfrentetermijnen komt daardoor aanzienlijk lager uit.
Bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant is in geschil of de berekening van de dga is gebaseerd op algemeen aanvaarde actuariële grondslagen. Ook is het de vraag of de dga vertrouwen kan ontlenen aan mededelingen over verliesverrekening op de aanslagbiljetten. De rechtbank oordeelt dat de berekening van de dga er mogelijk toe leidt dat de feitelijke rekenrente lager dan de verplichte 4% is. De voorziening wordt dan op een te hoog bedrag berekend. Evenmin heeft de dga aannemelijk gemaakt dat de herziene berekening is gebaseerd op algemeen actuariële grondslagen. De dga heeft onvoldoende onderbouwd dat de gehanteerde leeftijdsterugstelling in combinatie met de gehanteerde sterftetabel fiscaal aanvaardbaar is.
De rechtbank geeft toe dat de tekst van de mededelingen over de verrekenbare verliezen te wensen overlaat. Echter de tekst op het aanslagbiljet 2013 over verliezen maakt voldoende duidelijk dat het vermelde bedrag aan verliezen, niet zonder meer gelijk is aan de nog verrekenbare verliezen. Is al sprake geweest van opgewekt vertrouwen, dan is dat wel weggenomen door de toelichting op het aanslagbiljet 2013.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 11-03-2021 (ECLI:NL:RBZWB:2021:1210)
Wet: art. 3.29 Wet IB 2001 scales en art. 8 lid 6 Wet Vpb. 1969 scales