Door diefstal geïmporteerde goederen ook btw-aftrek kwijt

04 mei 2021

Als een btw-ondernemer is aangewezen als importeur, kan hij onder voorwaarden de btw aftrekken die vanwege de invoer van hem is geheven. Maar dan moet hij de geïmporteerde goederen wel gebruiken voor btw-belaste prestaties. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het opnemen van de prijs van de geïmporteerde goederen in de prijs van zijn geleverde goederen en diensten. Een diefstal van geïmporteerde goederen kan dit aftrekrecht in gevaar brengen.


Een bv is de beheerder van een particulier douane-entrepot. Eind 2012 stelen dieven een partij nikkel van een derde uit dit depot. Door de diefstal is de partij nikkel hierdoor aan een douaneregime onttrokken. Het gevolg is dat vanwege ‘invoer’ van de partij nikkel btw wordt geheven van de bv. Vervolgens ontstaat de vraag of de bv bij haar aangifte over mei 2013 de geheven btw in aftrek mag brengen. De bv en de Belastingdienst komen daar niet uit, zodat hun geschil uiteindelijk voor de Hoge Raad belandt.
De Hoge Raad redeneert als volgt. Een ondernemer heeft het recht de btw af te trekken die hij in het tijdvak van aangifte moest betalen in verband met de invoer van voor hem bestemde goederen. In dat geval moet hij wel voldoen aan bepaalde voorwaarden. Bovendien geldt alleen een recht op aftrek van voorbelasting voor zover men de goederen gebruikt voor belaste handelingen. De verschuldigde btw komt echter pas in aanmerking voor aftrek wanneer de ondernemer een document bezit, waarin de verplichting tot betaling is vastgelegd. Bovendien moet de belastingplichtige een document hebben waaruit de invoer blijkt. In dat document moet de btw-ondernemer zijn aangeduid als degene voor wie de ingevoerde goederen zijn bestemd als de importeur. Men dient onder het begrip ‘importeur’ te verstaan degene die de lidstaat van invoer aanwijst of erkent als de tot voldoening van die btw gehouden persoon. Dat geldt ook in het geval dat de btw-schuld is ontstaan doordat de goederen niet op regelmatige wijze in het economische verkeer van de Unie zijn gebracht.
Blijkt uit de uitnodiging tot betaling niet dat de goederen voor de importeur waren bestemd? Dan is deze enkele omstandigheid op zich onvoldoende om de importeur het aftrekrecht te weigeren. In dit geval heeft de belastingplichtige dus nog kans op het aftrekrecht van btw die hij als importeur heeft moeten betalen aan de fiscus van de lidstaat waar de goederen in het economische verkeer zijn gebracht. Stel nu dat de btw-heffing plaatsvindt van een ondernemer die is aangewezen als degene die de btw is verschuldigd? Dan is hij ook de ondernemer voor wie de goederen ten tijde van de invoer zijn bestemd. Deze btw-ondernemer betrekt de goederen in het kader van zijn bedrijfsactiviteiten uit een derde land. Of hij heeft de goederen op het tijdstip waarop zij zijn ingevoerd, gebruikt in het kader van zijn bedrijfsactiviteiten.
Maar de omstandigheid dat een belastingplichtige is aangewezen als de importeur, is op zich onvoldoende om hem het recht op aftrek van invoer-btw te verschaffen. De importeur moet de goederen (in dit geval de partij nikkel) ook gebruiken voor belaste handelingen. Personen die goederen invoeren waarvan zij niet de eigenaar zijn (zoals de bv), mogen de btw-aftrek niet zomaar toepassen. Zij moeten eerst de kosten van de ingevoerde goederen opnemen in de prijs van de bijzondere handelingen in een later stadium. Of desnoods in de prijs van goederen en diensten die zij verrichten in het kader van hun economische activiteit. Deze situatie doet zich in deze casus niet voor. Dat de bv de van haar geheven btw nadien op niemand heeft kunnen verhalen, is geen omstandigheid die haar recht op aftrek van voorbelasting geeft. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de bv de aanschafkosten moest dragen van een vervangende partij nikkel. Al met al verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep van de bv ongegrond.

Bron: HR 30-04-2021 (ECLI:NL:HR:2021:674)
Wet: art. 15 lid 1 onderdeel c sub 1° Wet OB 1968 scales