Einde FE alleen bij echte dwaling terug te draaien

09 mei 2019

Als een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting wordt verbroken als gevolg van een aandelenverkoop, dan wordt deze verbreking geacht nooit te hebben plaatsgevonden als de verkoopovereenkomst op grond van dwaling wordt vernietigd. Tenminste, als sprake is van een echte dwalingsgrond.

In een recente zaak komt Rechtbank Gelderland tot het oordeel dat de opgegeven reden van dwaling niet geldig is. Het betreft een holding die in 2013 bijna de helft van haar aandelen in een dochtervennootschap heeft verkocht aan een andere bv. Deze aandelenverkoop brengt een verbreking van de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (FE) tussen de holding, de dochtervennootschap en een kleindochtervennootschap mee. De aandelen in de koper zijn in handen van de zoon van de aandeelhouder van de holding. Later in 2013 verliest de kleindochtervennootschap een paar grote klanten, zodat zo’n 60% van de omzet wegvalt. In 2016 besluiten de holding en de bv de aandelenverkoopovereenkomst te vernietigen. Zij geven dwaling op als vernietigingsgrond. Als inderdaad de verkoopovereenkomst is vernietigd, is de FE nooit verbroken geweest. De Belastingdienst meent echter dat de dwaling maar een voorwendsel is. De rechtbank gaat mee in het standpunt van de fiscus. Het is niet aannemelijk dat de vader als aandeelhouder van de holding informatie heeft verzwegen tegenover zijn zoon. De vennootschappen geven evenmin een goede verklaring waarom drie jaar heeft gelegen tussen de aandelenverkoop en het beroep op dwaling. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een echte reden om de verkoopovereenkomst te vernietigen. Daarom is in 2014 en 2015 geen sprake van een FE tussen de holding en de (klein)dochtervennootschap.

Bron: Rb. Gelderland 03-05-2019, nr. AWB 17/5193 (ECLI:NL:RBGEL:2019:1920)
Wet: art. 6:228 BW en art. 15, lid 1 en lid 10, onderdeel a Wet Vpb 1969