Fiscus mag voorwaarden paraplukredietarrest niet verruimen

13 mei 2019

Het zogeheten paraplukredietarrest noemt drie cumulatieve voorwaarden waardoor uitgaven voor het aanvaarden van hoofdelijke aansprakelijkheid voor schulden van een gelieerde vennootschap niet aftrekbaar zijn. De Hoge Raad staat niet toe dat de fiscus deze voorwaarden ruim opvat.

Twee holdings hebben beiden hoofdelijke aansprakelijkheid aanvaard voor de schulden van hun dochtervennootschappen aan de bank. De holdings hebben daarover geen afspraken gemaakt met deze dochtermaatschappijen. De vraag is of de holdings voor een potentiële aansprakelijkstelling een voorziening mogen vormen. De Belastingdienst meent dat dit niet het geval is omdat deze aansprakelijkstelling valt onder de regeling voor onzakelijke leningen. Hof Den Bosch oordeelt echter dat de holdings wel een voorziening mogen vormen. Het hof meent dat een derde te vinden is die tegen een hogere maar nog steeds winstonafhankelijke vergoeding de hoofdelijke aansprakelijkheid zou aanvaarden. De staatssecretaris van Financiën gaat in cassatie. Voorde Hoge Raad stelt hij dat in deze situatie een onafhankelijke derde de risico’s van de aansprakelijkstelling nooit zou hebben aanvaard. In dit geval meent hij dat het hof niet hoeft te onderzoeken of een winstonafhankelijke vergoeding mogelijk zou zijn geweest voor de aanvaarde aansprakelijkheid.

De Hoge Raad constateert dat het standpunt van de staatssecretaris een verruiming in houdt van de cumulatieve voorwaarden voor de aftrekbeperking die aan bod kwamen in het zogeheten paraplukredietarrest (Hoge Raad van 1 maart 2019). Volgens dit arrest zijn de kosten van hoofdelijke aansprakelijkstelling voor schulden van gelieerde lichamen niet aftrekbaar als:

  • een vennootschap deelneemt aan een kredietarrangement waarin tevens andere vennootschappen deelnemen die tot hetzelfde concern behoren als de eerstgenoemde vennootschap;

  • deze vennootschap zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor alle vorderingen die de schuldeisers, die bij het arrangement zijn betrokken, uit hoofde van dat arrangement hebben op die andere vennootschappen, en

  • een regresvordering die ontstaat uit die aansprakelijkheid niet zal worden opgeëist zolang de gehele schuld, die voortvloeit uit het arrangement, niet is voldaan. 

Deze drie voorwaarden zijn cumulatief. De Hoge Raad beschouwt de stelling van de staatssecretaris als een poging om de voorwaarden ruimer toe te passen. De Hoge Raad staat deze verruiming echter niet toe en verklaart het cassatieberoep van de staatssecretaris ongegrond.

Bron: HR 10-05-2019, nr. 17/04930 (ECLI:NL:HR:2019:681) en HR 10-05-2019, nr. 17/05714 (ECLI:NL:HR:2019:682); HR 01-03-2013, nr. 11/01985 (ECLI:NL:HR:2013:BW6520)
Wet: art. 8 lid 1 Wet Vpb 1969 en art. 3.8 Wet IB 2001