‘Ja’ bij vraag tegenbewijsregeling voorkomt navordering

14 mei 2019

Een vraag in de aangifte vennootschapsbelasting gaat over de toepassing van de tegenbewijsregeling voor de beperking van renteaftrek. Bij het beantwoording van deze vraag met ‘ja’ moet de inspecteur extra alert zijn.

Een bv heeft aan een verbonden vennootschap € 850.000 geleend voor de aankoop van aandelen in een andere concernvennootschap. De lening is aangegaan voor 15 jaar en de bv moet jaarlijks 5% rente betalen aan de schuldeiser. De bv heeft gedurende een aantal jaren rente ten laste van het resultaat gebracht. In geschil bij Rechtbank Den Haag is of de rente aftrekbaar is, omdat de lening is aangegaan voor de verwerving van aandelen in een verbonden vennootschap van een verbonden vennootschap. De inspecteur is van oordeel dat sprake is van een nieuw feit waardoor hij kan navorderen. De bv heeft in de aangifte rente in aftrek gebracht en doet een beroep op de tegenbewijsregeling van artikel 10a Wet VPB 1969. Deze feiten geven volgens de inspecteur geen aanleiding om aan de juistheid van de aangifte te twijfelen. De rechtbank is het daar niet mee eens. Zij stelt vast dat de bv een aantal jaar in de aangiften vennootschapsbelasting heeft aangegeven dat de tegenbewijsregeling van artikel 10a Wet VPB 1969 van toepassing is. Bij de aangifte heeft de bv echter niet de gevraagde specificatie van de tegenbewijsregeling gevoegd. De inspecteur had nader moeten onderzoeken of de bv terecht een beroep heeft gedaan op de tegenbewijsregeling van artikel 10a Wet VPB 1969. Bij onderzoek naar de aangifte, zou er twijfel bij hem zijn gerezen. Dan zou de inspecteur hebben kunnen weten dat de tegenbewijsregeling niet van toepassing is. Door na te laten nadere gegevens op te vragen en informatie van de bv in te winnen heeft de inspecteur volgens de rechtbank een ambtelijk verzuim begaan, dat aan navordering in de weg staat. In latere jaren heeft de inspecteur wel om bewijsstukken inzake de toepassing van de tegenbewijsregeling gevraagd. Voor die jaren heeft de inspecteur geen ambtelijk verzuim gepleegd. Door ontbreken van compenserende heffing bij de crediteur van de lening, is de rente bij de bv niet aftrekbaar in die jaren waarvan de inspecteur om een specificatie van de tegenbewijsregeling heeft gevraagd.

Bron: Rb. Den Haag 4-2-2019, nr. AWB - 17 _ 7966, (gepubl. 10-5-2019), (ECLI:NL:RBDHA:2019:3177)
Wet: art. 10a lid 1 onderdeel c Wet VPB 1969; art. 16 lid 1 AWR