Beter twee keer lenen en kwijtschelden dan telkens schenken

16 mei 2019

Rechtbank Noord-Nederland beslist dat een begiftigde van een schenking in 2014 geen beroep kan doen op de verruimde vrijstelling schenkbelasting voor de eigen woning. De begiftigde heeft namelijk van dezelfde schenker in 2013 ook al een schenking ontvangen waarvoor zij een geslaagd beroep op de verhoogde verruimde vrijstelling heeft gedaan.

Op 18 november 2013 ontvangt een vrouw een schenking van € 20.300. Voor deze schenking doet zij een beroep op de eenmalige verruimde vrijstelling schenkbelasting voor schenking van een eigen woning. Vervolgens ontvangt de vrouw op 4 juli 2014 opnieuw een schenking. Deze keer heeft zij € 20.390 ontvangen. Met deze schenking heeft zij een gedeelte van haar hypothecaire lening afgelost. De vrouw wil ook voor de tweede schenking een beroep doen op de eenmalig verruimde vrijstelling schenkbelasting, waarmee de inspecteur niet akkoord gaat. In geschil bij Rechtbank Noord-Nederland is de toepassing van de verruimde vrijstelling schenkbelasting voor de ontvangen schenking van 4 juli 2014. Allereerst verwijst de rechtbank naar de wettekst. Hierin staat dat de verruimde vrijstelling geldt ‘voor één kalenderjaar’. Vervolgens onderzoekt de rechtbank ook nog de parlementaire geschiedenis bij de verruimde schenkvrijstelling eigen woning volgens het belastingplan 2014. Uit die parlementaire geschiedenis kan de rechtbank niet herleiden dat er in meerdere jaren een beroep op de verruimde vrijstelling mogelijk zou zijn. Daar komt bij dat Hof Amsterdam en Hof Den Haag eerder al beslisten dat een begiftigde slechts in één kalenderjaar gebruik kan maken van de verruimde schenkingsvrijstelling. Voor de ontvangen schenking op 4 juli 2014 mag de vrouw de verruimde vrijstelling schenkbelasting niet toepassen. Door de lange periode vanaf indiening van het bezwaarschrift tot de uitspraak van de rechtbank, heeft de vrouw wel recht op een vergoeding van immateriële schade en op een forfaitaire proceskostenvergoeding.

Bron: Rb. Noord-Nederland 13-11-2018, nr. AWB - 18 _ 673, (gepubl. 14-5-2019), (ECLI:NL:RBNNE:2081:5620); Hof Amsterdam 03-07-2018, nr. 17/00259 (ECLI:NL:GHAMS:2018:3292); Hof Den Haag 24-05-2017, BK-16/00303 (ECLI:NL:GHDHA:2017:1521)
Wet: art. 33a SW 1956 (tekst 2014)