Controle F-biljet hoeft niet strenger dan normaal te zijn

10 juni 2021

Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur het namens een overleden belastingplichtige ingediende F-biljet niet strenger hoeft te controleren dan een normale aangifte.


Een echtpaar is in gemeenschap van goederen gehuwd. De echtgenote houdt alle aandelen in een bv met uitsluitend beleggingsvermogen. In december 2010 komt de man te overlijden. Rond 15 december 2011 dienen de weduwe en de erfgenamen met een F-biljet de aangifte IB/PVV 2010 van de man in. De belastingwet bepaalt dat de man door zijn overlijden en het huwelijksgoederenregime een vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten. Maar dat is niet ingevuld in het F-biljet. Aanvankelijk volgt de inspecteur de ingediende aangifte, maar op 12 maart 2016 legt hij op naam van de man een navorderingsaanslag op. De erfgenamen starten daarop beroepsprocedure.
Zij stellen dat de Belastingdienst de aangifte niet goed genoeg heeft gecontroleerd en daarmee een ambtelijk verzuim heeft begaan. Hof Den Haag komt ook tot deze conclusie en vernietigt de navorderingsaanslag. Maar wanneer de staatssecretaris van Financiën in cassatie gaat, vernietigt de Hoge Raad de hofuitspraak. De zaak wordt vervolgens doorverwezen naar Hof Amsterdam.
De erfgenamen nemen het standpunt in dat de Belastingdienst meer aandacht moet geven aan een ingevuld F-biljet dan aan een reguliere aangifte inkomstenbelasting. Dit geldt hier des te meer omdat de echtgenoten opteren om het hele jaar elkaars fiscale partner te zijn. Bovendien meldt het biljet de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang.
Hof Amsterdam stelt echter dat de fiscus in beginsel mag volstaan met het raadplegen van het dossier van de belastingplichtige zelf. De enige uitzondering op deze regel doet zich voor als de gegevens in dat dossier aanleiding geven tot nader onderzoek. In deze situatie maakt het overigens niet uit of de aangifte handmatig of automatisch is afgedaan. Verder geldt in het geval van een F-biljet geen strenger toetsingscriterium dan voor een reguliere aangifte. Het hof oordeelt dat de fiscus niet hoefde te twijfelen aan de juistheid van de aangifte. Het inkomen uit aanmerkelijk belang is namelijk toe te delen aan de echtgenote. Daardoor heeft de mogelijkheid bestaan dat zij dat inkomen in haar aangifte zou opgeven. Al met al is sprake van een nieuw feit en is navordering toegestaan.

Bron: Hof Amsterdam 11-05-2021 (gepubl. 08-06-2021) (ECLI:NL:GHAMS:2021:1319)
Wet: art. 16 AWR scales en art. 4.16 lid 1 onderdeel e Wet IB 2001 scales
Meer info: Redelijkerwijs kenbaar? (BZ Advies 2020, nr. 11), Hoge Raad verduidelijkt onderzoeksplicht inspecteur (BZ Actueel 14-09-2020)