Bijstellen normbedrag fictief loon

05 juni 2019

Indien de inspecteur het fictief loon vaststelt op het normbedrag, is het aan de belastingplichtige om aannemelijk te maken dat het normbedrag lager moet worden vastgesteld.

Belanghebbende houdt aandelen A bv en aandelen B bv. In zijn aangifte inkomstenbelasting 2014 geeft hij een loon van A bv aan van € 1.852 en van B bv van € 11.217. Naar aanleiding van een boekenonderzoek stelt de inspecteur vast dat de gebruikelijkloonregeling van art. 12a lid 1 van de Wet op de loonbelasting 1964 van toepassing is. Omdat belanghebbende 20 uren per week heeft meegewerkt, stelt de inspecteur het gebruikelijk loon vast op € 22.000. Dit is 50% van het fictief loon zoals neergelegd in art. 12a lid 1 Wet LB.

Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur het gebruikelijk loon terecht op € 22.000 heeft vastgesteld. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat uitgegaan moet worden van een lager gebruikelijk loon. Volgens het hof is de blote stelling van belanghebbende, dat de bv’s geen winst maken, namelijk onvoldoende. Verder verwerpt het hof ook de stelling van belanghebbende dat het gebruikelijk loon op slechts 75% van het door de inspecteur in aanmerking genomen bedrag moet worden gesteld. Deze doelmatigheidsmarge is alleen van toepassing als het gebruikelijk loon hoger is dan € 44.000.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond verklaard (art. 81 Wet RO).

In bovenstaand geschil staat de hoogte van het fictief loon ter discussie. In artikel 12a, lid 1 Wet LB is het normbedrag voor 2014 vastgesteld op € 44.000 per jaar. In het belastingrecht geldt de vrije bewijsleer. Dit wil zeggen dat de inspecteur de bewijslast heeft als hij het fictief loon hoger dan € 44.000 wil vaststellen. De belastingplichtige zal aannemelijk moeten maken dat het normbedrag te hoog is. Nu de bijtelling door de inspecteur niet hoger is dan het normbedrag ligt het op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat in dit geval moet worden uitgegaan van een lager gebruikelijk loon (vgl. rechtsoverweging 3.5.2 in HR 9 oktober 2009). Belanghebbende is hierin niet geslaagd.

Bron: HR 24-5-2019, nr. 18/04687 (ECLI:NL:HR:2019:825); Hof Den Haag 2-10-2018, nr. BK-18/00397 (ECLI:NL:GHDHA:2018:2581); Rb. Den Haag 19-01-2018, nr. AWB – 17 _ 4664 (ECLI:NL:RBDHA:2018:604) (niet gepubliceerd); HR 9-10-2009, nr. 08/02433 (ECLI:NL:HR:2009:BH0546)
Wet: art. 12a Wet LB 1964