Hoge Raad accepteert zienswijze hof over vervreemdingsbegrip

13 oktober 2021

Een vrouw sluit met de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst waarin is vastgelegd wanneer sprake is van belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden bij het vervreemden van vastgoed. In deze vaststellingsovereenkomst staat dat dat het geval is bij vervreemding binnen vier jaar. Geldt dit ook als de levering van het vastgoed na vier jaar plaatsheeft?


De vrouw en haar echtgenoot exploiteren en handelen in onroerende zaken. Zij hebben met de inspecteur een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin is afgesproken dat sprake is van belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden bij vervreemding van vastgoed binnen vier jaar na verwerving. Na die vier jaar is het een box 3-transactie. De vrouw heeft een bepaald pand verkocht binnen vier jaar, waarbij de juridische levering werd uitgesteld tot na die vier jaar. De inspecteur vindt dat het behaalde voordeel bij verkoop belast is als resultaat uit overige werkzaamheden. De vrouw is het hier niet mee eens.
Bij Hof Den Bosch is het de vraag of bij vervreemding van het pand sprake was van belast resultaat uit overige werkzaamheden. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van vervreemding kijkt het hof naar het moment waarop partijen wilsovereenstemming hebben bereikt over de verkoopprijs. Het hof heeft daarbij aangesloten bij de datum van de onderhandse verkoopakte. Ofschoon de juridische levering is uitgesteld naar een datum buiten de vierjaarstermijn, heeft de waardeontwikkeling van het pand na verkoop geen invloed meer gehad op de verkoopprijs. Vervreemding van het pand heeft daarom binnen de vierjaarstermijn uit de vaststellingsovereenkomst plaatsgevonden. Het behaalde voordeel bij verkoop van het pand is belast in box 1.
Ook wilde de vrouw dat het hof akkoord ging om het behaalde resultaat in 2006 te belasten. Maar de vrouw heeft volgens het hof in hoger beroep niet meer de vrijheid om het voordeel in 2006 in aanmerking te nemen, omdat de inspecteur het voordeel dan niet meer kan belasten.
Het tegen de hofuitspraak ingestelde cassatieberoep werd door de Hoge Raad zonder nadere motivering ongegrond verklaard.

Bron: HR 08-10-2021 (ECLI:NL:HR:2021:1446)
Wet: art. 7:900 BW scales en art. 3.90 Wet IB 2001 scales