Te laat bezwaar boetebeschikking eerder niet-ontvankelijk

09 juli 2019

In het verleden oordeelde de Hoge Raad dat de inspecteur bij een bezwaar tegen een boetebeschikking moet bewijzen dat de stelling van de belastingplichtige van niet-ontvangst van de boetebeschikking onjuist is. De Hoge Raad gaat nu om, vanaf 1 augustus 2019 gaan de gewone bewijsregels gelden.

Een bv doet voor het jaar 2014 geen aangifte vennootschapsbelasting. De Belastingdienst legt daarom een ambtshalve aanslag vennootschapsbelasting op en een verzuimboete. De ambtshalve aanslag en beschikking verzuimboete hebben een dagtekening van 26 juli 2014. Op 2 oktober 2014 ontvangt de inspecteur een bezwaar tegen de aanslag en de boetebeschikking. Dit bezwaar had uiterlijk 8 september 2014 bij de inspecteur binnen moeten zijn. De inspecteur verklaart de bezwaren daarom niet-ontvankelijk vanwege de termijnoverschrijding. Het hof heeft het hoger beroep tegen uitspraak van de rechtbank op het beroep ook niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding. In cassatie is de ontvankelijkheid van het hoger beroep in geschil. De Hoge Raad oordeelt dat de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen de uitspraak door de rechtbank terecht is uitgesproken door het hof. Het hof heeft voor de termijnoverschrijding echter geen onderscheid gemaakt tussen de aanslag en de boetebeschikking. Dat had het hof wel moeten doen. De Hoge Raad gaat daarom in op de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de boete. In het arrest van 22 juni 1988 oordeelde de Hoge Raad als volgt. Als de belastingplichtige stelt dat de termijnoverschrijding buiten zijn schuld om is ontstaan, dan kan de inspecteur niet zomaar de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar uitspreken. Dat kan hij pas doen als hij kan bewijzen dat wat de belastingplichtige stelt over de niet-ontvankelijkheid onjuist is. In rechtspraak over bestuurlijke boetes is voor deze boetes een andere opvatting zichtbaar geworden. Reden voor de Hoge Raad om om te gaan. De gewone bewijsregels gaan ook gelden voor boetes. Deze komen kort samengevat op het volgende neer. Verzending van een boetebeschikking per post rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van de boetebeschikking op het daarop vermelde adres. Stukken die per post worden verzonden, komen in de regel aan bij de geadresseerde. Als een belanghebbende de ontvangst van een poststuk betwist, moet hij het vermoeden van ontvangst ontzenuwen. Het is daarbij voldoende dat op grond van wat hij aanvoert, de ontvangst of aanbieding van de beschikking redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Slaagt de belanghebbende daarin, dan is de inspecteur aan zet om nader bewijs te leveren ten aanzien van de ontvangst of aanbieding van de boetebeschikking.

Bron: HR 05-07-2019, nr. 18/01961 (ECLI:NL:HR:2019:1102); Hof Den Haag 30-03-2018, nr. BK-17/00715 (gepubl. 04-04-2018) (ECLI:NL:GHDHA:2018:649); Rb. Den Haag, 14-06-2017, nr. AWB - 16 _ 2060, (gepubl. 13-10-2017), (ECLI:NL:RBDHA:2017:6966); HR 22-06-1988, nr. 24998 (ECLI:NL:HR:1988:ZC3854)
Wet: art. 6 EVRM, art. 6:7, 6:8, 6:11 AWB en art. 22j, aanhef en letter a AWR