Waardering renteloze vordering in box 3

09 juli 2019

Rechtbank Gelderland oordeelt op grond van de parlementaire geschiedenis bij de Wet inkomstenbelasting 2001 dat een renteloze vordering als genotsrecht een bezitting vormt in box 3.

Een man ontvangt in 1997 en 2001 schenkingen van zijn moeder. De moeder woont ten tijde van de schenkingen in Belgiƫ. De schenkingen zijn gedaan onder de opschortende voorwaarde van overlijden van de moeder. Overlijdt de zoon eerder of tegelijk met de moeder? Dan zijn de kinderen van de zoon begunstigden. Over de periode van 2008 tot en met 2010 heeft de man de voorwaardelijke schenkingen opgenomen in zijn aangifte inkomstenbelasting. In de aangifte 2012 heeft de man de vorderingen niet meer opgenomen in zijn aangifte. Voor Rechtbank Gelderland is het de vraag of bij de waardering van de vorderingen voor box 3 rekening moet worden gehouden met vooroverlijden van de zoon. Voorts is in geschil of de Belastingdienst een navorderingsaanslag kan opleggen.
De rechtbank ziet in de parlementaire geschiedenis van de Wet inkomstenbelasting 2001 aanknopingspunten dat de wetgever een ruime uitleg van het begrip genotsrecht voor ogen heeft gehad. De rechtbank is daarom van oordeel dat een renteloze vordering als een genotsrecht kwalificeert. Vast staat dat de vordering die de man op zijn moeder heeft, renteloos is. De moeder heeft daarmee het genot van de aan vordering ten grondslag liggende gelden gehad en er is sprake van een genotsrecht.
Of de Belastingdienst op de hoogte is geweest van de voorwaardelijke schenkingen bij het opleggen van de aanslag of dat sprake is geweest van een kenbare fout is niet relevant. De rechtbank is namelijk van oordeel dat sprake is van kwade trouw van de zoon. De zoon heeft over de periode 2008 tot en met 2010 de vorderingen op zijn moeder wel in de aangiften opgenomen en in de aangifte 2012 niet meer. In 2012 zijn de relevante feiten hetzelfde als voor de periode 2008 tot en met 2010. Door de vordering niet meer op te nemen in de aangifte 2012 wist de man dat er een aanmerkelijke kans bestond dat hij een onjuiste aangifte zou indienen. De Belastingdienst mag dus een navorderingsaanslag opleggen.

Bron: Rb. Gelderland 02-07-2019, nr. AWB - 17 _ 3896, (gepubl. 05-07-2019), (ECLI:NL:RBGEL:2019:2909)
Wet: art. 5.19 en 5.22 Wet IB 2001, art. 18 en 19 UB IB 2001 en art. 16 AWR