Aflossen lening leidt niet tot een buitensporige last

01 augustus 2019

Lost iemand kort na peildatum een hypotheekschuld af met spaargeld? Dan verkeert hij in nagenoeg dezelfde omstandigheden als andere belastingplichtigen met mutaties in het box 3-vermogen kort na de peildatum. Van een individuele en buitensporige last is geen sprake.

Een vrouw bezit in 2016 een eigen woning met een daarop een hypotheek van € 140.914. Zij heeft daarnaast ook spaarrekeningen waarop op 1 januari 2016 in totaal € 230.519 staat. Op 28 januari 2016 heeft zij de hypothecaire lening met de spaargelden afgelost. In haar aangifte 2016 geeft zij een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen aan van 8.243. In hoger beroep is in geschil of het betrekken in de heffing van vermogen dat in de maand van de peildatum is gebruikt voor de aflossing van een hypotheekschuld bij de vrouw leidt tot een individuele en buitensporige last. De vrouw stelt voor het hof dat zij door het aflossen van de lening, gedurende een periode van ruim 11 maanden slechts € 65.000 heeft kunnen renderen. Daarom zou volgens haar het forfaitaire rendement slechts € 3.054 moeten zijn en niet de aangegeven € 8.243. Zij meent dat in haar specifieke geval sprake is van een individuele en buitensporige last.

Het hof is het hier niet mee eens. Voor de vaststelling van de verschuldigde inkomstenbelasting box 3 over het jaar 2016 is de hoogte van het box 3-vermogen op de peildatum van 1 januari 2016 van belang. Box 3-vermogensmutaties na de peildatum zijn bij het vaststellen van de belastingschuld over het desbetreffende jaar in beginsel niet van belang. Dit is inherent aan de keuze die de wetgever heeft gemaakt. De situatie van de vrouw waarin zij ervoor kiest om de spaartegoeden gedurende het jaar te gebruiken om de hypotheekschuld af te lossen, wijkt niet wezenlijk af van de situatie van andere belastingplichtigen met box 3-vermogen. Van een individuele en buitensporige last is volgens het hof dan ook geen sprake. Daaraan doet evenmin af dat de keuze van de vrouw de lening af te lossen volledig legitiem is. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond.

Bron: Hof Den Haag 16-7-2019 (publ. 30-7-2019), nr. BK-18/00938 (ECLI:NL:GHDHA:2019:1998)

Wet: art. 5.1 en 5.2 Wet IB 2001 (wettekst 2016)