Vaststellingovereenkomst verhinderde bezwaar en beroep

08 augustus 2019

Een belastingplichtige meent dat een deel van zijn pensioen niet onder de vaststellingsovereenkomst valt, die hij met de Belastingdienst heeft gesloten. In de vaststellingsovereenkomst was de fiscale behandeling van dit pensioen vastgelegd. Volgens Hof Den Haag stond bezwaar en beroep echter niet meer open voor onderwerpen die vielen onder de vaststellingsovereenkomst.

Een inmiddels gepensioneerde ex-werknemer met de Belgische nationaliteit heeft voor het European Patent Office (EPO) gewerkt. In zijn daar werkzame periode heeft hij een pensioen opgebouwd. Op 18 maart 2013 heeft hij met de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst gesloten over de fiscale behandeling van zijn pensioen. Dit pensioen is in 2006 tot uitkering gekomen. In de vaststellingsovereenkomst (vso) is overeengekomen dat het pensioen voor 2/3 in de heffing van inkomstenbelasting wordt betrokken, omdat hij een deel van de pensioenpremie zelf heeft betaald. Met de ondertekening van de vso heeft de man afstand gedaan van rechtsmiddelen tegen aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2006 tot en met 2009. De vso blijft echter ook gelden voor de heffing van inkomstenbelasting over de jaren 2010 en verder, zolang de relevante wet- en regelgeving niet wijzigt.

Uit een bericht uit 2012 van de tax policy officer van EPO blijkt dat over de door de werkgever betaalde pensioenpremies geen internal tax is geheven. De ex-werknemer gaat in bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting, omdat hij meent dat de vso geen betrekking heeft op de werkgeverspremies. Volgens de ex-werknemer behoorden achteraf gezien het deel van de pensioenuitkeringen waarop de werkgeverspremie betrekking had in box 3 van de inkomstenbelasting thuis.

In geschil voor Hof Den Haag is of de ex-werknemer door ondertekening van de vso afstand heeft gedaan van zijn rechtsmiddelen tegen de fiscale behandeling van zijn pensioen. De inspecteur meent dat de ex-werknemer geen beroep kan instellen bij de belastingrechter, omdat een vso een civielrechtelijke overeenkomst is.

Het hof oordeelt dat deze stelling van de inspecteur faalt, gezien een arrest van de Hoge Raad uit juni 2017. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat de belastingrechter in het kader van een beroep tegen een fiscaal besluit ook kan nagaan of een daaraan ten grondslag liggende overeenkomst met de belastingplichtige geldig is. Dit kan de belastingrechter ook met betrekking tot een geding waarbij in een vso is afgezien van rechtsmiddelen. Ten aanzien van het door ondertekening van de vso afzien van rechtsmiddelen haalt het hof een arrest van de Hoge Raad uit 1998 aan. In dit arrest oordeelt de Hoge Raad dat belanghebbende afstand heeft gedaan van haar recht om tegen een navorderingsaanslag rechtsmiddelen in te zetten. Het gevolg daarvan is dat belanghebbende in desbetreffende zaak geen beroep op termijnoverschrijding kon doen. Het hof oordeelt dat de vso:

  • ook de jaren vanaf 2010 bestrijkt,

  • de werkgeverspremies voor het pensioen onderdeel uitmaken van de vso, en

  • de feiten die ten grondslag liggen aan de vso voor juist worden aangenomen.

De ex-werknemer heeft daardoor geen mogelijkheid om in bezwaar en beroep tegen de aanslagen te komen, die onderwerp vormen van de vso. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond.

Bron: Hof Den Haag 9-07-2019, nr. BK-18/01052 t/m BK-18/01056 (ECLI:NL:GHDHA:2019:1969); Rb. Den Haag 18-09-2018, nr. SGR 17/6734, SGR 18/4438 t/m SGR 18/4441; HR 16-06-2017, nr. 16/01405 (ECLI:NL:HR:2017:1103); HR 22-04-1998, nr. 33249 (ECLI:NL:HR:1998:AA2428)

Tegen de geldigheid van een vaststellingsovereenkomst staan drie mogelijkheden open:

  • de vso is bij het sluiten daarvan tot stand gekomen onder bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden of dwaling;

  • de handelwijze van de inspecteur druist zozeer in tegen de door hem in acht te nemen zorgvuldigheid jegens belanghebbende, zodat de inspecteur handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zou hij belanghebbende aan de vso houden;

  • de vso is niet alleen duidelijk in strijd met dwingend recht en zou, wanneer de inspecteur belanghebbende daaraan houdt ook in strijd met de goede zeden of de openbare orde komen.