Vaststellingsovereenkomst was nog van toepassing

13 augustus 2019

Voor de uitleg van afspraken uit een vaststellingsovereenkomst is niet alleen de taalkundige uitleg van wat partijen zijn overeengekomen van belang. Ook moet de betekenis van de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst worden afgeleid aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten op grond van die verklaringen en elkaars gedragingen. 

Een man sluit in 2005 met de inspecteur een vaststellingsovereenkomst (VSO) over de hoogte van de schulden aan zijn bv en de verstrekte zekerheden. Een groot deel van de schulden was niet gedekt door zekerheden. De dga en de inspecteur spreken af dat de dga hiervoor vijf jaar de tijd krijgt om de leningen te verzakelijken. Voor zijn woning heeft de man ruim € 1 miljoen geleend met een pos/neg. hypotheekverklaring als zekerheid. De inspecteur is van oordeel dat dit niet zakelijk is. Daarom komen de dga en de inspecteur in de VSO voor de eigenwoninglening overeen dat de man hiervoor een notariële hypotheekverklaring afgeeft. Deze afspraak komt de man na. Andere afspraken uit de VSO komt de man niet na. De Belastingdienst heeft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over 2010 en 2011 opgelegd.

In geschil bij Hof Arnhem-Leeuwarden is of de Belastingdienst deze aanslagen mocht opleggen vanwege de VSO. De dga is van mening dat de uitdeling al in 2008 heeft plaatsgevonden en daarom de inspecteur geen navorderingsaanslagen meer kan opleggen. Anders dan de rechtbank en de inspecteur oordeelt het hof dat de VSO nog steeds geldt, want deze is rechtsgeldig tot stand gekomen en niet door één van de partijen opgezegd. In de VSO is opgenomen dat bij het niet nakomen van de afspraken door de dga een winstuitdeling plaatsvindt, er is niet aangegeven op welk tijdstip die winstuitdeling plaatsvindt en de inspecteur tot navordering kan overgaan. Bovendien belet de VSO de inspecteur niet om in beginsel de jaarlijkse toename van de schulden van de dga als verkapte winstuitdelingen te belasten. Het hof is het met de inspecteur eens dat de inspecteur volgens de VSO de navorderingsaanslagen kan opleggen. Uiteindelijk beslist het hof dat de helft van de jaarlijkse toename van de schulden aan de bv bij de dga is belast als winstdeling in 2010 en 2011. Het hof verwijst hiervoor naar de wettelijke toerekening van het inkomen uit aanmerkelijk belang aan de dga en zijn fiscale partner, omdat de dga en zijn fiscale partner bij hun aangiften zelf geen keuze hebben gemaakt voor onderlinge toerekening van dit inkomen uit aanmerkelijk belang. 

 

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 23-7-2019 (publ. 9-8-2019), nrs. 18/00333, 18/00334 (ECLI:NL:GHARL:2019:5971); Rb. Gelderland 22-3-2018, nr. AWB - 16 _ 5211 (ECLI:NL:RBGEL:2018:1304
Wet: art. 7:900 BW; art. 2.17 lid 3, art. 4.1 Wet IB 2001