A-G: toets bezitseis BOF op ondernemingsniveau

09 september 2019

Advocaat-generaal IJzerman concludeert dat men de zogeheten bezitseis binnen de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet 1956 moet toepassen per vennootschap of onderneming. Ziet een deel van de waarde van de geschonken aandelen in een holding op een deelneming of onderneming die minder dan vijf jaar vóór de schenking is verworven? Dan geldt de bedrijfopvolgingsfaciliteit niet voor dat deel.

Wil de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) van toepassing zijn op een geschonken aanmerkelijk belang (ab), dan moet de bv waarvan de aandelen zijn geschonken minstens vijf jaar een materiële onderneming hebben gedreven. De advocaat-generaal (A-G) meent dat de wetgever bij de toetsing aan deze bezitseis een indirect ab zo veel mogelijk hetzelfde wil behandelen als een direct gehouden ab in een lichaam. Daarom moet men per deelneming en zelfstandige onderneming controleren of de holding deze deelneming of onderneming op het moment van de aandelenschenking minimaal vijf jaar (indirect) bezit. Daarbij is niet van belang of sprake is van een misbruiksituatie of niet.

In een van de zaken voor het Parket bij de Hoge Raad hebben de schenkers meer dan vijf jaar vóór de schenking een bv opgericht. Zij hebben echter de aandelen in deze bv korter dan vijf jaren vóór de schenking overgedragen aan hun holding. Op dat moment begint een nieuwe bezitstermijn te lopen, aldus de A-G. De wet- en regelgeving voorziet niet in een tegemoetkoming op de bezitstermijn bij de koop van aandelen. De ontvangers van het ab-pakket kunnen daarom de BOF niet toepassen over de waarde van de aandelen voor zover deze waarde ziet op de te kort aangehouden deelnemingen en ondernemingen.

Bron: Conclusie A-G 21-08-2019, nr. 19/00189 (gepubl. 06-09-2019) (ECLI:NL:PHR:2019:825) en Conclusie A-G 21-08-2019, nr. 19/01680 en 19/01695 (gepubl. 06-09-2019) (ECLI:NL:PHR:2019:827)
Wet: art. 35b scales , 35c lid 5 scales en 35d lid 1, onderdeel c SW 1956 scales ; art. 9 URSE scales