Let op voorwaarden kwijtscheldingsbeschikking!

10 september 2019

De fiscus kan in een kwijtscheldingsbeschikking voorwaarden opnemen. Als de belastingschuldige niet voldoet aan deze voorwaarden, kan hij zich niet beroepen op een kwijtschelding van zijn belastingschulden.

Een fiscale eenheid voor de omzetbelasting (FE OB) geeft in haar aangifte omzetbelasting aan dat zij btw is verschuldigd, maar draagt deze btw niet af. De Belastingdienst legt de FE OB daarom naheffingsaanslagen omzetbelasting inclusief verzuimboeten op. De FE OB moet ook invorderingskosten betalen. Als de FE OB ook de naheffingsaanslagen niet betaalt, stelt de ontvanger in maart 2015 een vennootschap binnen de FE OB aansprakelijk. De vennootschap tekent bezwaar aan tegen deze aansprakelijkstelling, waarop de ontvanger de beschikking intrekt. Maar eind 2017 legt hij de vennootschap opnieuw een aansprakelijkstellingsbeschikking op. De vennootschap gaat hier vervolgens tegen in beroep bij Rechtbank Den Haag.

De vennootschap stelt voor de rechtbank dat de fiscus voor de groep van ondernemingen waartoe onderdelen van de FE OB behoren een kwijtscheldingsbeschikking heeft afgegeven. De rechtbank constateert echter dat die beschikking twee betalingstermijnen als voorwaarden noemt. Aangezien de groep niet binnen die termijn heeft betaald, voldoet zij niet aan de voorwaarden voor kwijtschelding. Bovendien loopt nog een civiele procedure over openstaande schulden van de FE OB. De vennootschap kan daarom volgens het hof niet stellen dat de belastingschuld niet meer bestaat. Ten slotte kan men geen beroep instellen tegen een kwijtscheldingsbeschikking bij de bestuursrechter.

De vennootschap stelt daarnaast in haar beroepschrift dat een tweede aansprakelijkstelling niet mogelijk is. Deze stelling faalt omdat de vennootschap deze stelling niet nader motiveert of concretiseert. Bovendien is volgens de rechtbank geen sprake van een dubbele aansprakelijkstelling. De ontvanger heeft immers de tweede aansprakelijkstellingsbeschikking pas opgelegd nadat hij de eerste had ingetrokken. Bovendien weet de ontvanger aannemelijk te maken dat het ontstaan van de belastingschulden en het belopen van de boeten en betalingskosten is te wijten aan de vennootschap. Zij was als onderdeel van de FE OB verantwoordelijk voor de betaling van de aangiften omzetbelasting. Door niet te betalen, is het opleggen van de naheffingsaanslagen en wat daarbij komt aan haar te wijten. De rechtbank oordeelt dat de vennootschap terecht aansprakelijk is gesteld.

Bron: Rb. Den Haag 04-07-2019, nr. AWB 18/6800 (gepubl. 06-09-2019) (ECLI:NL:RBDHA:2019:9203)
Wet: art. 7 Wet OB 1968 scales ; art. 32 lid 2 scales en art. 43 IW 1990 scales ; art. 8:5 Awb scales ; art. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (Bijlage 2 Awb) scales