Stimuleringspremie belast als loon uit vroegere dienstbetrekking

11 juni 2018

Stimuleringspremie belast als loon uit vroegere dienstbetrekking

Een werknemer meent dat de stimuleringspremie die hij ontvangt bij zijn ontslag moet worden gezien als afscheidscadeau, vergelijkbaar met een jubileumuitkering en dus niet belast… Zowel de inspecteur als de rechter gaan niet mee met dat verhaal.

Een werknemer is geboren in 1952 en hij heeft 41 jaar in overheidsdienst gewerkt. Zijn laatste functie is Senior Adviseur Bedrijfsvoering. In 2013 vraagt hij ontslag aan, waarbij hij aangeeft gebruik te willen maken van de stimuleringspremie, een ontslagvergoeding. Het ministerie van Veiligheid en Justitie verleent hem per 1 december 2013 ontslag, waarbij hij een stimuleringspremie van € 75.000 krijgt. De stimuleringspremie is gebaseerd op het aantal jaren dat hij bij de overheid heeft gewerkt. Het ministerie maakt een bedrag ad € 15.000 over naar het ABP als extra pensioen en het restant, € 60.000, wordt in januari 2014 onder inhouding van loonheffing overgemaakt naar de werknemer. De werknemer is van mening dat de uitkering niet tot zijn belastbare inkomen uit werk en woning behoort. Hij vindt dat de uitkering aan hem is verstrekt als afscheidscadeau. Hij vergelijkt de uitkering als een onbelaste uitkering bij een ambtsjubileum. Het bedrag is na zijn ontslag uitgekeerd en de enige contraprestatie was dat hij stopte met werken. Hij mocht niet zomaar weer gaan werken en hij mocht zich gedurende een periode van twee jaar niet inschrijven bij het UWV. Hij verdiende ongeveer € 3.000 netto per maand en de uitkering dekte niet eens die periode van twee jaar.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de uitkering van € 60.000 is gebaseerd op het aantal dienstjaren dat hij werkzaam was voor de overheid. De uitkering kwalificeert ten tijde van ontvangst als loon uit vroegere dienstbetrekking. Dit betekent dat de uitkering tot het loon behoort. Voor de inkomstenbelasting wordt onder loon verstaan: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. Daarom hoort het loon tot het belastbare inkomen uit werk en woning. Dat de regeling uiteindelijk niet gunstig uitpakt voor de werknemer kan er niet toe leiden dat een juiste wetstoepassing achterwege blijft. Het hoger beroep is ongegrond.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep op 8 juni 2018 grond van art. 80a RO niet-ontvankelijk verklaard. De aangevoerde klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 6-02-2018, nr. 17/00771 (ECLI:NL:GHARL:2018:1140); Rb. Noord-Nederland 18-07-2017, nr. LEE 16/4311 (ECLI:NL:RBNNE:2017:2623): HR 08-06-2018, nr. 18/00640 (ECLI:NL:HR:2018:881)
Wet: art. 3.1, 3.81 Wet IB 2001; art. 10 Wet LB 1964