Aansprakelijkheid indirect bestuurder cv

28 juli 2017

Aansprakelijkheid indirect bestuurder cv

Rechtbank Gelderland heeft beslist dat een indirect bestuurder van een CV terecht hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de belastingschulden van die CV. Art. 33 IW is van toepassing, ook al is de bestuurder van de CV een limited.

Een indirect bestuurder van een CV wordt door de Belastingdienst op grond van art. 33 IW hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor door die CV onbetaald gebleven belastingaanslagen. De indirect bestuurder vindt dit onterecht omdat de bestuurder van de CV een limited is, waar hij op zijn beurt bestuurder van is. De limited is een naar Engels recht opgerichte vennootschap die is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. De rechtbank overweegt dienaangaande allereerst dat de CV geen rechtspersoonlijkheid bezit en dat art. 33 IW in dit geval van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank wordt dit niet anders doordat het lichaam dat de bestuurder van de CV vormt in het buitenland gevestigd en naar buitenlands recht opgericht is. Op de in Nederland verschuldigde belasting is het Nederlandse belastingrecht van toepassing. Verder overweegt de rechtbank dat op de aansprakelijkheid voor de Nederlandse belastingschuld van een naar Nederlands recht opgerichte CV evenzeer Nederlands recht van toepassing is.

De indirect bestuurder voert dan verder nog aan dat de toepassing van art. 33 IW er niet toe mag leiden dat hij als bestuurder van een vennootschap naar Engels recht benadeeld zou worden ten opzichte van een bestuurder van een vennootschap naar Nederlands recht. Naar het oordeel van de rechtbank is van een benadeling echter geen sprake. Hij verkeert niet in een slechtere positie dan wanneer de bestuurder een bv was geweest.

Vervolgens heeft de indirect bestuurder nog aangevoerd dat het hem niet te wijten is dat de belasting niet is voldaan, omdat hij een melding van betalingsonmacht heeft gedaan. Daarover oordeelt de rechtbank dat die melding geen zelfstandige betekenis heeft voor de beoordeling van de verwijtbaarheid en slechts een omstandigheid is in de mee te wegen feiten en omstandigheden. De rechtbank is verder van oordeel dat de indirect bestuurder zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd en dat hetgeen hij heeft aangevoerd onvoldoende is voor disculpatie.

Tot slot voert de indirect bestuurder nog aan dat sprake is van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Belastingdienst had volgens hem eerst de limited moeten aanspreken. Ook dit argument faalt. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat de Belastingdienst op grond van art. 33 IW vrij is in de keuze wie van de bestuurders wordt aangesproken. Gelet op het vorenstaande wordt het beroep ongegrond verklaard.  

Bron: Rb. Gelderland 24-07-2017, AWB - 15 _ 6944 (ECLI:NL:RBGEL:2017:3894)
Wet: art. 33 IW