Samenwerkingsverband tussen echtgenoten niet ongebruikelijk

03 augustus 2017

Samenwerkingsverband tussen echtgenoten niet ongebruikelijk

Hof Arnhem-Leeuwarden acht het samenwerkingsverband tussen een vrouw en haar echtgenoot, die samen een rietdekkersbedrijf exploiteren, niet ongebruikelijk. De man en vrouw vullen elkaar aan en nemen samen investeringsbeslissingen. En omdat de vrouw voldoet aan het urencriterium mocht zij de zelfstandigenaftrek in mindering brengen op haar winst uit de onderneming.

Een vrouw is in 1993 met haar echtgenoot een vennootschap onder firma aangegaan met als doel de exploitatie van een rietdekkersbedrijf. Ook in 2011 exploiteerden zij samen deze onderneming. De echtgenoot voert de rietdekkerswerkzaamheden uit. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van ingehuurde krachten. De vrouw beschikt over het diploma ‘handelskennis voor het rietdekkersbedrijf’ en verricht andere werkzaamheden in de onderneming. De winstverdeling is 50:50. In 2008 is de echtgenoot langdurig ziek geweest. De vrouw heeft in die periode de onderneming voortgezet. De vrouw heeft in haar aangifte IB 2011 de zelfstandigenaftrek in mindering gebracht op haar winst uit onderneming. De inspecteur heeft dit echter gecorrigeerd op grond van een ongebruikelijk samenwerkingsverband. De vrouw was het hier niet mee eens. Uiteindelijk is het geschil voorgelegd aan Hof Arnhem-Leeuwarden.

In bijzonder is in geschil of de werkzaamheden van de vrouw in de onderneming hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en of het ongebruikelijk is dat een samenwerkingsverband als dat tussen de vrouw en haar echtgenoot ook tussen niet-verbonden personen wordt aangegaan. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw ten minste 1225 uren aan de werkzaamheden voor de onderneming heeft besteed. De vrouw heeft aangevoerd dat zij de bedrijfsvoering voor haar rekening neemt en een opsomming van haar werkzaamheden gegeven. Zij onderhoudt de contacten met (toekomstige) klanten en de leveranciers, zij doet de planning en stuurt de ingehuurde arbeidskrachten aan. Zij stelt zelfstandig de offertes op en verzorgt de inkoop van het riet. Het hof acht dit van belang en stelt daarnaast vast dat de vrouw en de echtgenoot samen investeringsbeslissingen nemen. Het belang van de werkzaamheden van de vrouw blijkt volgens het hof onder meer uit de omstandigheid dat zij in 2008 tijdens ziekte van haar echtgenoot de onderneming draaiende heeft gehouden. Het hof acht hiermee voldoende aannemelijk dat in rietdekkersbedrijven als de onderhavige een samenwerkingsverband met een vergelijkbare winstverdeling en een vergelijkbare verdeling van de werkzaamheden ook tussen niet-verbonden personen voorkomt en dat een samenwerkingsverband als tussen belanghebbende en haar echtgenoot tussen niet-verbonden personen niet ongebruikelijk is.

Aan een beoordeling van de vraag of de werkzaamheden hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn, komt het hof niet toe. Het hof beslist dat de correcties ter zake van de zelfstandigenaftrek bij het opleggen van de aanslag ten onrechte zijn aangebracht. De vrouw wordt derhalve in het gelijk gesteld.
 
Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 28-06-2017, 16/00400 (ECLI:NL:GHARL:2017:5339)
Wet: art. 3.76 lid 1, 3.6 lid 1 aanhef en a Wet IB 2001