Verdeling schadevergoeding bij overschrijding redelijke termijn

28 juli 2017

Verdeling schadevergoeding bij overschrijding redelijke termijn

In een zaak waarin sprake was van overschrijding van de redelijke termijn met 33 maanden heeft Rechtbank Zeeland-West-Brabant zich gebogen over de vraag aan wie die overschrijding dient te worden toegerekend. De rechtbank beslist uiteindelijk dat 15 maanden hiervan toegerekend dient te worden aan de rechter en de resterende 18 maanden aan de inspecteur, ondanks dat de inspecteur in totaal binnen zes maanden heeft gehandeld. De inspecteur en de Minister van Veiligheid en Justitie worden naar deze verdeling veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade.

Een vennootschap vordert vergoeding van immateriële schade wegens de lange termijn die verstreken is sinds de indiening van haar bezwaarschrift, dat op 29 augustus 2012 door de inspecteur ontvangen is. De inspecteur doet op 26 november 2012 uitspraak op bezwaar zonder belanghebbende te horen. Daartegen stelt de vennootschap beroep in. Op 13 maar 2015 doet de rechtbank uitspraak. De uitspraak van de inspecteur wordt vernietigd en de zaak wordt naar de inspecteur terugverwezen zodat de vennootschap alsnog kan worden gehoord. Na de vennootschap te hebben gehoord, doet de inspecteur op 23 juni 2015 uitspraak. De rechtbank doet vervolgens uitspraak op 22 mei 2017. Sinds de aanvang van de termijn tot de uitspraak van de rechtbank zijn dan 57 maanden verstreken.

Over die overschrijding oordeelt de rechtbank allereerst dat als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn voor de behandeling in de bezwaarfase en de beroepsfase tezamen niet meer dan twee jaar mag bedragen. Dit geldt ook in de situatie als de onderhavige waarin een terugverwijzing heeft plaatsgevonden en een hernieuwde behandeling van bezwaar heeft plaatsgevonden en een tweede beroepsprocedure. De rechtbank heeft zich nog afgevraagd of in deze situatie de duur van de eerste beroepsprocedure afzonderlijk zou moeten worden beoordeeld en daarom  niet mee zou moeten tellen voor de tweejaarstermijn, maar ziet hier geen aanleiding voor omdat alles in eerste aanleg afspeelt en omdat de omstandigheid dat een procedurefout in de bezwaarfase is gemaakt niet afdoet aan het recht van de vennootschap op behandeling binnen een redelijke termijn in eerste aanleg.  Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen is volgens de rechtbank geen sprake.

De overschrijding bedraagt naar het oordeel van de rechtbank 33 maanden (57 maanden minus 24 maanden), hetgeen de vennootschap recht geeft op een vergoeding van € 3.000. De overschrijding dient volgens de rechtbank geheel aan de inspecteur te worden toegerekend, tenzij in de loop van de hele procedure een of meer keer sprake is geweest van een langere behandelduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd. Dit is naar het oordeel van de rechtbank het geval geweest. De rechtbank verdeelt de vergoeding tot immateriële schade tussen de inspecteur en de Minister van Veiligheid en Justitie in de verhouding 18:15. Daarbij erkent de rechtbank dat wellicht opmerkelijk is dat de inspecteur een vergoeding dient te betalen, terwijl hij binnen zes maanden heeft gehandeld. Vanwege het feit dat deze een procedurefout heeft gemaakt wordt de duur van de eerste gerechtelijke procedure hem toegerekend en zodoende is de aan de inspecteur toegerekende 18 maanden overschrijding toch terecht.  
 
Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 22-05-2017, BRE-15_4847 (ECLI:NL:RBZWB:2017:3332)