Verliesverrekeningsbeschikking kon bij navorderingsaanslag worden vastgesteld

31 juli 2017

Verliesverrekeningsbeschikking kon bij navorderingsaanslag worden vastgesteld

Rechtbank Den Haag heeft beslist dat het achterwege laten van een verliesverrekeningsbeschikking bij het opleggen van een navorderingsaanslag kan worden hersteld. Hiervoor bestaat een wettelijke grondslag.

Bij het doen van de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2010 geeft een vastgoedonderneming een belastbare winst op van € 15.341.681. Met verrekening van een voorvoegingsverlies van € 399.342 bedraagt het belastbaar bedrag € 14.942.339. De Belastingdienst legt een voorlopige aanslag op conform de aangifte. De vastgoedonderneming maakt hiertegen bezwaar, omdat na verrekening van de aanwezige compensabele verliezen een belastbaar bedrag van nihil zou resteren. De Belastingdienst legt vervolgens een definitieve aanslag op naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van nihil. Daarbij legt de Belastingdienst tevens een verzuimboete van € 2.460 aan de vastgoedonderneming op wegens het te laat indienen van de aangifte. Op de definitieve aanslag is vermeld dat het totaalbedrag aan verrekenbare verliezen € 41.903.349 bedraagt. De vastgoedonderneming maakt aanvankelijk tegen de definitieve aanslag bezwaar, maar trekt dit bezwaar na diverse besprekingen met de Belastingdienst en een hoorgesprek later in. In 2016 legt de Belastingdienst vervolgens een navorderingsaanslag op. Hierbij wordt de belastbare winst ad € 15.341.681 vastgesteld conform aangifte. Gelijktijdig wordt daarbij een verliesverrekeningsbeschikking van eveneens € 15.341.681, vastgesteld. De vastgoedonderneming is van mening dat de verliesverrekeningsbeschikking niet in stand kan blijven omdat de verliesverrekeningsbeschikking moet worden aangemerkt als een herzieningsbeschikking waarmee de eerdere, impliciet bij de primitieve aanslag Vpb 2010 gegeven, primitieve verliesverrekeningsbeschikking 2010 van nihil is herzien. Een dergelijke herziening van een verliesverrekeningsbeschikking ten nadele van de vastgoedonderneming zou in strijd zijn met het wettelijk stelsel omdat dat niet in een mogelijkheid daartoe voorziet.

Rechtbank Den Haag gaat hierin niet mee. De rechtbank overweegt daarbij dat de Belastingdienst de belastbare winst abusievelijk op nihil had vastgesteld, en dat daardoor bij het vaststellen van de aanslag een verliesverrekeningsbeschikking van € 15.341.681 achterwege is gebleven. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van art. 21a Wet VPB 1969 stelt de rechtbank vast dat voor het vaststellen van de verliesverrekeningsbeschikking tegelijk met het opleggen van de navorderingsaanslag wel degelijk een wettelijke grondslag bestaat. De rechtbank beslist dan ook dat de verliesverrekeningsbeschikking terecht en tot een juist bedrag is vastgesteld en in stand kan blijven.

Bron: Rb. Den Haag 29-06-2017, AWB - 16 _ 9978 (ECLI:NL:RBDHA:2017:7853)
Wet: art. 21a Wet VP 1969