Rechtbank mag niet tot oordeel bodemlozeputlening komen

07 oktober 2019

De inspecteur heeft zich zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase steeds op het standpunt gesteld dat sprake is van een onzakelijke lening. De rechtbank is buiten de rechtsstrijd getreden met haar oordeel dat de verstrekte financiering in rekening-courant een bodemlozeputlening is.

Eind 2012 heeft een dga een vordering in rekening-courant op een concernvennootschap van ruim vijf ton. In 2013 is deze vennootschap failliet gegaan. Door de slechte financiële situatie van de vennootschap en de overige vennootschappen van het concern heeft de dga in zijn aangifte inkomstenbelasting een afwaarderingsverlies genomen ter grootte van de rekening-courantvordering per einde 2012. De inspecteur heeft geweigerd het afwaarderingsverlies als tbs-verlies in aanmerking te nemen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de kredietverstrekking in het zicht van het faillissement heeft plaatsgevonden en dat de kredietverstrekking daardoor fiscaal gezien een bodemlozeputlening is. In geschil bij Hof Den Haag is of de rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden en of de dga de rekening-courantvordering op de vennootschap mag afwaarderen. Het hof oordeelt dat de inspecteur moet stellen en zo nodig met feiten moet onderbouwen dat sprake is van een bodemlozeputlening, deelnemerschapslening of schijnlening. Dat heeft de inspecteur niet gedaan. De rechtbank is buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil is getreden door ambtshalve tot een bodemlozeputlening te concluderen. Het mag de dga echter niet baten. Ook het hof vindt dat het afwaarderingsverlies niet aftrekbaar is. De vennootschap verkeert in het jaar en de jaren daarvoor in een zeer slechte financiële positie. Daardoor heeft de dga feitelijk geen zakelijke zekerheid kunnen bedingen. De dga heeft daarmee een onzakelijk debiteurenrisico aanvaard. Door een deel van zijn vorderingen op het concern te laten vervangen door een vordering uitsluitend op de later failliet verklaarde vennootschap, heeft de dga zijn verhaalsmogelijkheden laten afnemen. Een dergelijk risico zou een onafhankelijke derde niet aanvaarden.

Bron: Hof Den Haag 4-9-2019, nrs. BK-18/00572, t/m BK-18/00574, (gepubl. 3-10-2019), (ECLI:NL:GHDHA:2019:2537); Rb. Den Haag 23-2-2018, nr. AWB - 17 _ 2110, (gepubl. 6-4-2018), (ECLI:NL:RBDHA:2018:2542)
Wet: art. 3.92 Wet IB 2001 en art. 6:140 BW