Rente over griffierechtvergoeding ondanks te laat beroep

08 oktober 2019

Als een belastingplichtige zijn beroepschrift te laat indient en de belastingrechter niet binnen een redelijke termijn op dit beroepschrift beslist, moet de rechter ook beslissen op een verzoek om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast kan de belanghebbende recht hebben op interest over de vergoeding van het griffierecht.

Als de belastingrechter een beroepschrift van een belanghebbende niet-ontvankelijk verklaart, hoeft hij in beginsel geen uitspraak te doen over een verzoek om vergoeding van immateriële schade. Maar dat is anders als sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar is verstreken. Is bovendien de redelijke termijn van in beginsel twee jaar overschreden, dan heeft de belastingplichtige ondanks de niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroepschrift recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Krijgt de belastingplichtige zo’n immateriële schadevergoeding toegekend, dan heeft hij ook recht op een vergoeding van het griffierecht. De Hoge Raad oordeelt dat de belastingrechter in zulke gevallen bovendien rente moet berekenen over de griffierechtvergoeding. Wel is van belang dat in zo’n situatie een verlenging van de redelijke termijn plaatsvindt. De verlenging bestaat uit het tijdsverloop tussen het einde van de beroepstermijn en het tijdstip waarop het beroep is ingesteld. Men moet deze verlenging toerekenen aan de beroepsfase, aldus de Hoge Raad.

Bron: HR 04-10-2019, nr. 18/01938 (ECLI:NL:HR:2019:1516)
Wet: art. 6:119 BW