Werkzaamheden in buitenland niet aannemelijk gemaakt

08 oktober 2019

Een werkneemster stelt dat zij in Nederland niet belasting- en premieplichtig was omdat ze haar werkzaamheden voor een deel van de tijd in het buitenland verrichtte. Volgens Hof Den Bosch leverde zij voor die stelling echter nog geen begin van een bewijs.

Een werkneemster was in het jaar 2011 woonachtig in België. Uit de door haar overgelegde arbeidsovereenkomst blijkt dat zij met ingang van 1 april 1999 als redactrice van een tijdschrift in dienst was bij een in Nederland gevestigde uitgeverij. De overeengekomen arbeidsduur bedraagt 32 uur per week. In de arbeidsovereenkomst is niet opgenomen waar de arbeid verricht dient te worden.
De redactrice heeft met betrekking tot voornoemde dienstbetrekking ter zake van het jaar 2011 een brutoloon van € 30.257 genoten. De werkgever heeft hierop een bedrag van € 7.199 aan loonheffing ingehouden. Met betrekking tot het jaar 2011 heeft de redactrice aangifte IB/PVV gedaan waarin zij stelt dat zij niet belasting- en premieplichtig is in Nederland omdat zij een deel van haar tijd in het buitenland werkte. In geschil is de vraag of belanghebbende in Nederland belasting- en premieplichtig is in Nederland.
Hof Den Bosch oordeelt in navolging van Rechtbank Zeeland-West-Brabant dat de redactrice belasting- en premieplichtig is in Nederland. Niet in geschil is dat zij moet worden aangemerkt als buitenlands belastingplichtige. Toepassing van de redelijke verdeling van de bewijslast heeft, naar het oordeel van het hof, tot gevolg dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat zij in Nederland heeft gewerkt. Volgens het hof maakt de inspecteur aannemelijk dat de redactrice in het kader van haar dienstbetrekking de werkzaamheden heeft verricht in Nederland. Zij maakt het tegendeel niet aannemelijk. Het hof stelt daarbij vast dat zij geen begin van bewijs heeft geleverd met betrekking tot haar stelling dat zij in het kader van haar dienstbetrekking werkzaamheden in het buitenland heeft verricht. Ook haar stelling dat zij in België aangifte personenbelasting heeft gedaan, overtuigt het hof niet. Ook voor deze stelling heeft zij geen bewijsstukken overgelegd.
Nu de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de werkzaamheden voor haar Nederlandse werkgever mede in België uitoefende is zij tevens premieplichtig in Nederland. Het gelijk is aan de inspecteur. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Deze uitspraak is vergelijkbaar met de uitspraak van de Hof Den Bosch van 15 juni 2018 waarin het beroep van belanghebbende in de procedure over 2008 en 2010 ongegrond is verklaard. Het beroep in cassatie van belanghebbende tegen deze uitspraak is op 8 maart 2019 ongegrond verklaard door de Hoge Raad.
Het wekt verbazing dat over 2011 een identieke procedure loopt. Het oordeel van de rechtbank en het hof dat belanghebbende belasting- en premieplichtig is in Nederland komt mij juist voor. Belanghebbende is tegen bovengenoemde uitspraak in cassatie gegaan. De zaak is bij de Hoge Raad bekend onder nummer 19/02532. De kans op succes lijkt zeer gering.

Bron: Hof Den Bosch 02-05-2019 (gepubl. 20-09-2019), nr. 18/00261 (ECLI:NL:GHSHE:2019:1873); Rb. Zeeland-West-Brabant 02-05-2018, nr. BRE - 17 _ 168 (ECLI:NL:RBZWB:2018:2766); HR 08-03-2019, nr. 18/02980 (ECLI:NL:HR:2019:324)