Gebruik social media en zelfstandigenaftrek

09 oktober 2019

Rechtbank Noord-Nederland moest onlangs beoordelen of uren die door een ondernemer werden besteed aan (social) media konden worden aangemerkt als uren die meetelden voor het urencriterium.

Een vrouw drijft samen met haar man sinds 2013 een VOF. De VOF heeft een groothandel in hard- en software, brengt advies uit en levert internetdiensten. Op verzoek van de inspecteur overlegt de firmante over 2016 een urenspecificatie. Volgens die specificatie heeft zij 1.352 uren in de onderneming gewerkt, waarvan 600 uur zijn besteed aan social media (300 dagen: 2 uur) en 300 uren (300 dagen: 1 uur) aan overige media. Volgens de inspecteur is niet aannemelijk gemaakt dat de uren daadwerkelijk heeft besteed en corrigeert de zelfstandigenaftrek in de aangifte.
Voor Rechtbank Noord-Nederland is het de vraag of het aannemelijk is dat de 900 uren besteed aan (sociale) media werkzaamheden voor de onderneming zijn. De firmante geeft aan dat zij via social media diverse hashtags op twitter en verschillende ondernemersgroepen op facebook volgt. Volgens haar is de reactiesnelheid op de diverse uitingen van groot belang. Door als eerste te reageren wordt de naamsbekendheid van de onderneming vergroot en is de onderneming beter in staat potentiƫle nieuwe klanten aan te trekken. De berichtenstroom gaat continue door en dat vereist dat zij doorlopend op social media aanwezig (stand-by) is. Daarnaast dient het gebruik van social media ook om concurrenten te volgen en de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van ICT bij te houden. De 300 uren die firmante aan overige media besteed, wordt gebruikt voor het volgen van tv, radio en kranten. Het lezen van de krant draagt vooral bij aan de representatieve functie van het bedrijf. Ook worden de kranten bijgehouden om direct te kunnen reageren op nieuwe projecten in de regio. De firmante luistert vooral naar de radio om op de hoogte te blijven van de nieuwste ontwikkelingen en alert te blijven op wat er in het bedrijfsleven allemaal speelt.
Hoewel de rechtbank er niet aan twijfelt dat de firmante dagelijks veelvuldig gebruik maakt van diverse (social) media, maakt zij echter niet aannemelijk dat dit gebruik - tot het aantal door haar gestelde uren - ziet op werkzaamheden voor de onderneming. De firmante heeft op de zitting over de aard van het zakelijk gebruik van (social) media slechts in zeer algemene bewoordingen iets gesteld, terwijl de totale omvang van deze werkzaamheden - een stelpost van 3 uur per dag gedurende 300 dagen - nagenoeg 2/3 deel van haar totale werkzaamheden uitmaakt. Deze algemene bewoordingen zijn voor de rechtbank onvoldoende om aannemelijk te achten dat deze 900 uren (social) mediagebruik zien op werkzaamheden die de onderneming betreffen. De conclusie is dan ook dat niet wordt voldaan aan de wettelijke eis van ten minste 1.225 uren.

Bron: Rb. Noord-Nederland 25-07-2019, nr. AWB-18_3730 (gepubl. 08-10-2019) (ECLI:NL:RBNNE:2019:3451)
Wet: art. 3.76 Wet IB 2001