HR: oordeel hof over individueel en buitensporige last juist

20 juni 2022

Ten aanzien van een vóór 4 februari 2022 gedane uitspraak van de feitenrechter geldt dat in cassatie alleen het oordeel over het individuele bezwaar kan worden onderzocht.


Een man had voor 2017 aangifte inkomstenbelasting gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 126.651. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bedroeg € 8.841. Het box 3-vermogen van de man en zijn echtgenote bestond voor € 210.430 uit bank- en spaarrekeningen en voor € 268.000 uit een onroerende zaak. De man maakte tevergeefs bezwaar tegen de aanslag. Uiteindelijk komt de zaak bij de Hoge Raad.
Voor wat betreft een vóór 4 februari 2022 gedane uitspraak van de rechter blijft de beperking uit het arrest van 2 juli 2021 naar het oordeel van de Hoge Raad onverkort gelden. Over zaken waarover een feitenrechter vóór de uitspraak op het massaal bezwaar (4 februari 2022) moet beslissen, mag hij geen rekening houden met de collectieve uitspraak op bezwaar. In cassatie kan daarom alleen het oordeel inzake het individuele bezwaar worden onderzocht. Hof Amsterdam heeft volgens de Hoge Raad in deze zaak bij de beoordeling van de individuele buitensporige last de juiste maatstaf aangelegd.

Bron: HR 17-06-2022 ( ECLI:NL:HR:2022:876 gavel ); HR 02-07-2021 (ECLI:NL:HR:2021:963)
Wet: art. 5.2 Wet IB 2001 scales en art. 25c AWR scales
Verdrag: art. 1 EP EVRM
Practice note: Box 3: vermogensrendementsheffing spiralbound