In principe gewone redelijke termijn ondanks coronapandemie

21 september 2022

Alleen als een zitting is gepland in de periode van 17 maart 2020 tot en met mei 2020, vormt de coronapandemie een reden om de redelijke termijn te verlengen.


Een man verzoekt in een beroepsprocedure tegen de BPM-heffing om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hof Arnhem-Leeuwarden weigert deze schadevergoeding toe te kennen. Het hof ziet namelijk de coronapandemie als een uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie. Deze situatie rechtvaardigt een verlenging van de redelijke termijn van twee jaar voor berechting in hoger beroep met vier maanden. Daarbij is rekening gehouden met de periode waarin de gerechtsgebouwen zijn gesloten. Ook is een termijn van twee maanden in acht genomen voor het opnieuw inplannen van verdaagde zittingen.
De Hoge Raad vindt echter dat dit hofoordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De uitbraak van het coronavirus in 2020 is in beginsel geen bijzondere omstandigheid die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. Dat is alleen anders als de partijen zijn uitgenodigd voor een onderzoek ter zitting in de periode van 17 maart 2020 tot en met mei 2020. In deze periode zijn namelijk de gerechtsgebouwen gesloten geweest in verband met de uitbraak van het coronavirus. In zulke gevallen heeft de rechter het onderzoek ter zitting opnieuw moeten inplannen. Maar deze situatie doet zich in deze zaak niet voor. Het hof heeft daarom de redelijke termijn niet mogen verlengen. De man krijgt alsnog een immateriële schadevergoeding toegekend van € 500.

Bron: Hoge Raad 16-09-2022 ( ECLI:NL:HR:2022:1233 gavel ), Hof Arnhem-Leeuwarden 14-12-2021 (gepubl. 24-12-2021) ( ECLI:NL:GHARL:2021:11519 gavel )
Wet: art. 8:88 Awb scales
Practice note: Vergoeding van (proces)kosten, schade en dwangsommen spiralbound , Covid-19 spiralbound