Door juridische splitsing nieuwe bezitsperiode BOR

28 november 2019

Voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling moet de schenker meer dan vijf jaar een objectieve onderneming drijven. Als iemand eerst middellijk 49% in een deelneming heeft en na juridische splitsing deze deelneming voor 100% middellijk verkrijgt, dan gaat voor de bedrijfsopvolgingsregeling voor 51% een nieuwe bezitsperiode lopen.

Een moeder heeft tot 2011 via haar eigen bv (E bv) 49% van de aandelen in een tussenholding. Een derde heeft tot 2011 de resterende 51% in die tussenholding. De tussenholding had diverse deelnemingen met als activiteiten het exploiteren van hoorcentra (hierna deelnemingen ‘Horen’) en van optiekcentra (hierna: deelnemingen ‘Zien’). In 2011 vindt een herstructurering plaats. De tussenholding wordt gesplitst in twee bv’s, in de ene bv komen de deelnemingen Zien en in de andere bv het volledige belang in de deelnemingen ‘Horen’. E bv krijgt de aandelen in ‘Horen’ bv. Tot deze deelnemingen behoorden ook de deelneming in C bv en het aan die bv ter beschikking gestelde bedrijfspand. In 2012 richt moeder B bv op en die heeft de deelneming in C bv en het bedrijfspand overgenomen van ‘Horen’ bv. In 2013 schenkt moeder de aandelen B bv aan haar zoon. Bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant is in geschil of moeder en zoon de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) in de Successiewet volledig kunnen toepassen of slechts voor 49% zoals de inspecteur betoogt. De rechtbank oordeelt over het ondernemingsbegrip uit de BOR dat de bewoordingen van de BOR duiden op een objectieve onderneming of een gedeelte ervan. Door de verwijzing naar het ondernemingsbegrip in de Wet IB 2001 kan sprake zijn van meerdere objectieve ondernemingen. Volgens de rechtbank zijn de deelnemingen ‘Horen’ en de deelnemingen ‘Zien’ twee afzonderlijke objectieve ondernemingen. De tekst van de bepalingen van de BOR leidt tot de conclusie dat voor elke objectieve onderneming of een gedeelte ervan de bezitseis afzonderlijk moet worden toegepast, ook bij een juridische splitsing. Vast staat volgens de rechtbank dat voor de herstructurering in 2011 moeder een middellijk belang heeft gehad in de deelneming C bv ( ‘Horen’) en het bedrijfspand van 49%. Door de juridische splitsing in 2011 heeft moeder het 100% middellijk belang gekregen. Hierdoor heeft moeder een middellijk belang in een onderneming van 51% erbij gekregen. Voor die 51% gaat een nieuwe bezitstermijn van vijf jaar lopen en die termijn was ten tijde van de schenking van de aandelen B bv nog niet voorbij. De rechtbank geeft de inspecteur gelijk en oordeelt dat de BOR voor 49% van toepassing is op de schenking (middellijk) van aandelen C bv.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 20-06-2019, nr. BRE - 17 _ 1709, (gepubl. 26-11-2019), (ECLI:NL:RBZWB:2019:3757)
Wet: art. 35b, 35c en 35d SW 1956, art. 9 UR S&E en art. 3.2 Wet IB 2001