Constructie met FE Vpb en scheepvaart-CV mislukt

28 november 2019

Als een moedervennootschap niet de economische eigendom van meer dan 95% van de aandelen in een bv houdt, kan zij geen fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met die bv vormen.

Bv X heeft een groothandel in (weg- en) bouwmaterialen. In 2010 wil zij gaan deelnemen in een scheepvaart-CV. Dit is een besloten commanditaire vennootschap. Daarvoor richt zij met F UA E bv op, waarbij zij alle aandelen in die bv, op één na, verkrijgt. E bv participeert in de scheepvaart-CV met nog vijf anderen als commanditaire vennoten. G UA is beherend vennoot. Bv X en E bv vormen vanaf de oprichting van E bv een fiscale eenheid vennootschapsbelasting. Door de willekeurige afschrijving op het zeeschip heeft de fiscale eenheid recht op belastingteruggaven. Onderdeel van de overeenkomst is dat bv X een deel van het behaalde fiscale voordeel als kapitaal stort in E bv, die dat vervolgens doorstort in de scheepvaart-CV. Bij oprichting van E bv komen bv X en F UA al overeen dat F UA alle aandelen E bv van bv X overneemt. Als bv X haar aandelen niet overdraagt aan F UA, dan moet zij aanvullend nog een kapitaal storten in de CV.
In geschil bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant is de vraag of bv X en E bv een fiscale eenheid vennootschapsbelasting kunnen vormen. De rechtbank is van mening dat bv X niet de economische eigendom van de aandelen in E bv heeft gehad. De rechtbank volgt de inspecteur in zijn stelling en oordeelt ook dat al bij het aangaan van de CV en de oprichting van E bv feitelijk vaststaat dat de aandelen in E bv kort na 31 december 2011 voor € 1 verkocht worden door E bv. De verplichting voor bv X om extra kapitaal te storten bij het zijn van aandeelhouder in E bv na 31 januari 2012 versterkt het oordeel van de rechtbank. Bv X heeft nooit de economische eigendom van de aandelen in E bv bij oprichting van E bv gehad. Het aangaan van een fiscale eenheid vennootschapsbelasting is dan ook niet mogelijk.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 15-08-2019, nr. BRE - 17 _ 3109 (gepubl. 26-11-2019) (ECLI:NL:RBZWB:2019:3686)
Wet: art. 15 Wet Vpb 1969 en art. 3.34 Wet IB 2001