Cassatieberoep tegen partnervrijstelling broer ingetrokken

24 november 2022

Financiën heeft het cassatieberoep tegen de hofuitspraak inzake de partnervrijstelling voor een langdurig inwonende broer ingetrokken. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden voldeed de man aan de vijfjaarstermijn voor het ononderbroken staan ingeschreven op het zelfde woonadres, ook al had een van de samenwoners aan het begin van die periode een andere fiscale partner.


Een man staat vanaf 2 mei 1969 samen met zijn zus en haar echtgenoot ingeschreven op hetzelfde adres in de gemeentelijke basisadministratie. De echtgenoot overlijdt op 9 september 2017. Op 1 januari 2019 overlijdt de vrouw. Haar broer ias haar enige erfgenaam. De man wilde de partnervrijstelling in de erfbelasting toepassen. Hij omschreef zichzelf als een samenwoner zonder notariële akte. Zowel de Belastingdienst als Rechtbank Gelderland meenden dat de man niet kwalificeerde als fiscale partner van de vrouw. Het hof is echter van mening dat de wetgever de vijfjaarstermijn van het samen ingeschreven staan niet heeft gekoppeld aan de eis dat er geen andere persoon is die aan de voorwaarden voor fiscaal partnerschap voldoet. Voor de eis met betrekking tot de ene fiscale partner geldt alleen de algemene termijn van zes maanden (twee jaar bij schenking). Daardoor voldoet de man aan de voorwaarde voor fiscaal partnerschap voor de Successiewet en mag hij de partnervrijstelling toepassen.
De staatssecretaris heeft nu besloten het cassatieberoep in te trekken. Ter toelichting merkt hij het volgende op.
Het hof heeft terecht vooropgesteld dat belanghebbende en erflaatster tot het moment van overlijden van de echtgenoot geen partners waren op grond van art. 1a SW; iedereen kan immers (sinds de herziening van het partnerbegrip per 1 januari 2010) slechts één partner hebben. Na het overlijden van de echtgenoot is er echter geen sprake meer van een meerrelatie en kunnen belanghebbende en erflaatster in beginsel partners zijn.
Buiten geschil is dat in casu (gedurende de zesmaandsperiode voorafgaand aan het overlijden van erflaatster) aan de voorwaarden van art. 1a lid 1 onderdeel a, b, d en e SW 1956 wordt voldaan. Belanghebbende en erflaatster voldoen echter niet aan de voorwaarde van lid 1 onderdeel c (een notarieel samenlevingscontract met wederzijdse zorgverplichting). Het oordeel van het hof dat belanghebbende en erflaatster toch kwalificeren als partners ingevolge art. 1a SW, getuigt volgens de staatssecretaris niet van een onjuiste rechtsopvatting. Aan de uitzondering van art. 1a lid 3 SW 1956, die in de plaats treedt van de voorwaarde van lid 1 onderdeel c wordt voldaan omdat belanghebbende en erflaatster gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren tot het overlijden van erflaatster staan ingeschreven op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen.
Het standpunt van de inspecteur dat de vijfjaarstermijn pas begint te lopen na het overlijden van de echtgenoot volgt niet uit de letterlijke tekst van de bepaling; het volgt evenmin uit de parlementaire geschiedenis van de bepaling zoals weergegeven in de uitspraak van het hof. Gelet op het voorgaande is besloten om te berusten in de uitspraak en het ingestelde pro forma beroep in cassatie in te trekken.

Bron: MvF 21-10-2022 (gepubl. 17-11-2022) - Toelichting intrekking cassatieberoep erfbelasting: ongehuwd samenwonenden, partnervrijstelling
Meer info: Langdurig inwonende broer heeft recht op partnervrijstelling ( BZ Actueel 25-07-2022 )
Practice note: Verkrijgen door overlijden (erfbelasting) spiralbound