Werk door Amerikaan voor ICC is belast ROW

23 januari 2023

Vergoedingen ontvangen van het internationaal strafhof voor werkzaam zijn als defence counsel, zijn in beginsel belast als resultaat uit overige werkzaamheden.


Een gehuwde man, vader van twee minderjarige kinderen, heeft de Amerikaanse nationaliteit. Sinds augustus 2009 verricht hij als defence counsel werkzaamheden bij het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag. Daarnaast heeft de man in de periode mei 2014 tot april 2016 werkzaamheden verricht bij het Special Tribunal for Libanon (STL). In verband met deze werkzaamheden verblijft de man sinds augustus 2009 in Nederland. Verder is hij in 2015 als teamlid opgenomen in het Protocollaire Basisadministratie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In deze administratie staat bij de man ‘NP’ (No Privileges). De man geeft in zijn aangiftes inkomstenbelasting over de jaren 2015 en 2016 een bedrag van € 103.356 respectievelijk € 56.952 aan vrijgesteld loon op.
Maar de Belastingdienst bestempelt de inkomsten van de man bij het ICC en de STL als resultaat uit overige werkzaamheden (ROW). Deze inkomsten zijn volgens de inspecteur belast in Nederland. Ook neemt hij bij de man inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking. De man is het daar niet mee een en start een beroepsprocedure voor Rechtbank Den Haag.
De rechtbank stelt om te beginnen vast dat de man in 2015 en 2016 zijn fiscale woonplaats in Nederland heeft. Gedurende heel 2015 en 2016 heeft hij namelijk met zijn gezin in Nederland gewoond. Daarnaast heeft hij al zijn werkzaamheden bij het ICC en het STL verricht in Nederland. Vanwege dit alles heeft de man een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland, aldus de rechtbank. De man heeft geen bewijsstukken overlegd waarmee hij onderbouwt dat Nederland niet zijn fiscale woonplaats is. Wel beweert hij niet te staan ingeschreven in een Nederlandse gemeente. Ook stelt hij slechts een tijdelijk verblijfsrecht in Nederland te hebben. Maar deze stellingen zijn op zichzelf onvoldoende om de rechtbank te overtuigen.
Vervolgens stelt de man dat hij op grond van het Zetelverdrag ICC en het Zetelverdrag STL recht heeft op een belastingvrijstelling. Maar de rechtbank merkt op dat de man een beroep doet op bepalingen die alleen zien op belastingen waarvan het heffingsrecht volledig afhankelijk is van de fiscale woonplaats. De heffing van Nederlandse inkomstenbelasting vindt echter ook plaats op grond van het bronbeginsel. Hij heeft daarom geen recht op een belastingvrijstelling. Ook is hij premieplichtig in Nederland en verzekerd voor de Zorgverzekeringswet.
Het volgende onderwerp is de kwalificatie van het inkomen. De man weet niet aannemelijk te maken dat hij in de desbetreffende jaren een onderneming heeft gedreven. Hij heeft in de desbetreffende jaren drie verschillende cliënten, en daarmee drie verschillende opdrachtgevers gehad. Nu is niet in geschil dat de man bij het ICC en het STL zelfstandig is in de uitvoering van zijn werkzaamheden. Maar daarmee is niet bewezen dat de man voldoende zelfstandigheid bezit ten opzichte van zijn opdrachtgevers. Bovendien is zijn debiteurenrisico zeer beperkt. Dat komt doordat de hoogte van de vergoeding die de man ontvangt vooraf is vastgesteld. Deze vergoeding wordt betaald uit een budget dat door het ICC en het STL aan de counsels voor de verdediging is toegewezen. De rechtbank gelooft evenmin dat sprake is van loon uit dienstbetrekking. De man heeft namelijk geen arbeidsovereenkomsten met het ICC en het STL ingebracht. Daardoor resteert ROW.

Bron: Rb. Den Haag 15-11-2022 (gepubl. 19-01-2023) ( ECLI:NL:RBDHA:2022:14748 gavel )
Verdrag: art. 25 lid 3 Zetelverdrag ICC
Wet: art. 4 scales AWR en art. 2.1 scales en art. 2.14 Wet IB 2001