Recht op schadevergoeding door verklaring Kennisgroep

10 februari 2020

Als de voorzitter van een kennisgroep zonder voorbehoud verklaart dat een financieel product kwalificeert als een eigenwoningschuld, wekt dat vertrouwen op. Ondanks dat vertrouwen kan de Belastingdienst later alsnog tot een ander oordeel komen. Maar de Staat is dan wel verplicht om een vergoeding te betalen voor geleden schade.

Een bv is bezig met het ontwikkelen van een nieuw hypotheekproduct. Dit product zal uit twee leningdelen bestaan. Het eerste leningdeel moet 60% van de marktwaarde van de te financieren woning omvatten. Dit deel krijgt een looptijd van dertig jaar, maar pas na vijftien jaar wordt gestart met aflossen. Het tweede leningdeel zal een looptijd van vijftien jaar hebben. In die periode vindt een annuïtaire aflossing plaats. De leningdelen worden apart gefinancierd. De bv hoopt dat de twee leningdelen samen fiscaal gezien één eigenwoningschuld vormen. In dat geval is immers de gehele hypotheekrente aftrekbaar. De bv legt het concept van het product voor aan (de voorganger van) de Kennisgroep Onroerende Zaken. Op 9 oktober 2014 verklaart de voorzitter van de kennisgroep in een e-mail dat dit product als eigenwoningschuld kwalificeert. Aan deze goedkeuring verbindt de voorzitter wel de voorwaarde dat sprake moet zijn van een verbindingsclausule.
In het najaar van 2015 krijgt de Kennisgroep een nieuwe voorzitter. Deze nieuwe voorzitter laat de hypotheekverstrekker weten dat de Kennisgroep het voornemen heeft om het product niet aan te merken als een eigenwoningschuld. De bv stelt dat de oud-voorzitter van de Kennisgroep het vertrouwen heeft opgewekt dat het product wel een eigenwoninglening is. Rechtbank Den Haag komt tot dezelfde conclusie. De oud-voorzitter heeft in haar e-mail een definitief oordeel gegeven over het concept, aldus de rechter. Dat betekent overigens niet dat de Belastingdienst het product alsnog moet accepteren als een eigenwoninglening. Ook de rechtbank constateert namelijk dat het product niet voldoet aan de voorwaarden.
De rechtbank oordeelt wel dat de Staat der Nederlanden onrechtmatig heeft gehandeld. Als de bv eerder had geweten dat het product niet voldeed aan de voorwaarden voor renteaftrek, had zij de ontwikkeling eerder gestaakt. Zo had zij zich kosten bespaard. De rechtbank verplicht daarom de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan de hypotheekverstrekker.

Bron: Rb. Den Haag 29-01-2020, nr. C/09/542425/HA ZA 17-1154 (gepubl. 04-02-2020) (ECLI:NL:RBDHA:2020:512)
Wet: art. 3.119a Wet IB 2001