Geen afrekening bij inbreng TBS-pand

10 februari 2020

Brengen een dga en zijn echtgenote een ter beschikking gesteld pand aan de bv in in een firma, die de onderneming van de bv voortzet? Dan hoeven zij niet af te rekenen over de stille reserves in dat pand.

Aan het begin van de jaren 90 brengt een ondernemer zijn eenmanszaak in in een bv. Enkele jaren na de oprichting gaat ook de partner van de man voor de bv werken. De dga en zijn echtgenote (ieder voor de helft) verhuren vanaf 2004 een in privébezit zijnde schuur aan de bv. De huuropbrengsten geven de man en zijn vrouw aan als resultaat uit overige werkzaamheden. Op 1 januari 2014 gaan de dga en zijn echtgenote een firma aan. De firma zet de activiteiten van de bv voort. Tot het ingebrachte ondernemingsvermogen behoort ook de schuur. De man en de vrouw komen voor de firma een winstverdeling overeen van 2/3e deel van de winst voor de man en 1/3e deel voor de vrouw.
Hof Arnhem-Leeuwarden moet beoordelen of de man en de vrouw bij inbreng van de verhuurde schuur moeten afrekenen of dat ze gebruik kunnen maken van een doorschuiffaciliteit. Het hof bepaalt dat de Hoge Raad in het arrest van 13 mei 2016 heeft geoordeeld dat de betekenis ‘uitbouwen tot een onderneming’ ruim is. Daaronder valt niet alleen het geleidelijk aan wijzigen van de omstandigheden waaronder als ‘werkzaamheid’ aangemerkte arbeid wordt verricht. Ook valt onder ‘uitbouwen tot een onderneming’ het gerechtigd worden in het vermogen van de onderneming. Het gaat daarbij dan wel om de gerechtigdheid in het ondernemingsvermogen waaraan de belastingplichtige het vermogensbestanddeel eerst ter beschikking stelde. Bovendien moet het ingebrachte vermogensbestanddeel tot het verplichte ondernemingsvermogen gaan behoren. Het hof oordeelt dat de situatie uit het hiervoor genoemde arrest zich hier ook voordoet.

De inspecteur is van oordeel dat voor de doorschuiffaciliteit de winstverhouding dezelfde moet zijn als de eigendomsverhouding van de ingebrachte schuur. De overeengekomen winstgerechtigdheid van de firmanten leidt er daarom volgens de inspecteur toe dat de firmanten geen beroep kunnen doen op de faciliteit van de geruisloze doorschuiving. Het hof oordeelt dat deze voorwaarde niet in de wet is opgenomen. Zou deze voorwaarde wel in de wet staan, dan zou volgens het hof de geruisloze doorschuiffaciliteit een dode letter zijn en nooit toegepast kunnen worden. De firmanten mogen de doorschuiffaciliteit toepassen. Wel vindt een kleine correctie plaats. De vrouw moet over 1/6e deel van de boekwinst van het pand afrekenen. De man mag zijn doorgeschoven boekwaarde met die 1/6e deel van de boekwinst verhogen.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 28-1-2020, nr. 18/01226, (gepubl. 7-2-2020), (ECLI:NL:GHARL:2020:792); Hof Arnhem-Leeuwarden 28-1-2020, nr. 18/01228, (gepubl. 7-2-2020), (ECLI:NL:GHARL:2020:793), HR 13-05-2016, nr. 15/02667 (ECLI:NL:HR:2016:831)
Wet: art. 3.99 Wet IB 2001