Paardenhandelaar maakt ondernemerschap niet aannemelijk

11 februari 2020

Een paardenhandelaar die deelneemt aan wedstrijden en prijzengeld ontvangt, is daarvoor geen ondernemer voor de omzetbelasting. Dat is wel het geval als de paardenhandelaar altijd een vergoeding van de organisator van wedstrijden zou ontvangen, ongeacht het wedstrijdresultaat.

Sinds 1987 staat een man als belastingplichtig ondernemer voor de omzetbelasting ingeschreven bij de Belastingdienst. Tot de activiteiten van de onderneming behoort het fokken, trainen en laten racen van drafpaarden. Ook het naderhand met winst verkopen van die paarden behoort tot het doel van de onderneming. Op 17 september 2014 koopt de ondernemer een veewagen en vraagt de voorbelasting terug. Voordat de Belastingdienst de teruggaaf verleent voert hij een boekenonderzoek uit. Daaruit volgt dat de man de activiteiten hobbymatig verricht. De inspecteur wil daarom het ondernemerschap van de man per 1 januari 2015 stopzetten. In plaats van de gevraagde teruggaaf te verlenen en per 1 januari 2015 die teruggaaf weer na te heffen, heeft de inspecteur voor een praktische oplossing gekozen door de gevraagde teruggaaf niet te verlenen.
Hof Arnhem-Leeuwarden heeft voor de paardenwedstrijden en het verkopen van de paarden geoordeeld dat de handelaar niet aannemelijk heeft gemaakt in het economische verkeer activiteiten te hebben verricht. Van een verband tussen verrichte activiteiten en vergoedingen kan daarom geen sprake zijn. Prijzengeld voor een paardenwedstrijd is geen vergoeding voor een dienst onder een bezwarende titel. De man heeft volgens het hof ook niet aangetoond de paarden met winst te hebben verkocht. De inspecteur is wel van mening dat de man recht heeft op een kleine teruggave van de voorbelasting. Het is de voorbelasting vanaf de periode van aanschaf van de veewagen tot 1 januari 2015. Het hof heeft de man daarin gevolgd. Voor het overige is de gevraagde teruggaaf niet verleend. De Hoge Raad verklaart het door de paardenhandelaar ingediende beroep in cassatie ongegrond.

Bron: HR 07-02-2020, nr. 18/03938 (ECLI:NL:HR:2020:197); Hof Arnhem-Leeuwarden 04-09-2018, nr. 17/00833 (gepubl. 07-09-2018), (ECLI:NL:GHARL:2018:7886); Rb. Noord-Nederland 17-08-2017, nr. AWB - 15 _ 4205 (gepubl. 18-08-2017), (ECLI:NL:RBNNE:2017:3135)
Wet: art. 7 en 15 Wet OB 1968