Economische eigendom en zeggenschap aandelen niet bij dga

12 februari 2020

De inspecteur kan niet aantonen dat de dga na verkoop van de aandelen de economische eigendom en de zeggenschap heeft behouden bij de verkochte aandelen. Dit blijkt niet uit de akte van levering van de aandelen. Evenmin blijkt dit uit verklaringen van partijen. Ook komen waardeveranderingen van of dividenden uit de verkochte aandelen niet aan de dga toe.

Een dga houdt via zijn eigen houdstermaatschappij onder meer alle aandelen in bv Een en bv Twee. Daarnaast heeft de dga een onderneming die tot doel heeft de exploitatie van een garagebedrijf met showroom, werkplaats en buitenruimte. Ook verhuurde de dga onroerende zaken die hij tot zijn ondernemingsvermogen rekent. Bv Een heeft gedurende de periode 2003-2007 geleidelijk de garageactiviteiten van de dga overgenomen.
Op 12 januari 2006 vervreemdt de houdstervennootschap van de dga 77 van de 80 aandelen in de bv Twee. Door deze verkoop eindigt de terbeschikkingstelling van een verhuurd pand aan bv Een. Hierbij komen partijen overeen dat de economische eigendom van de aandelen op de koper met terugwerkende kracht naar 13 juni 2005 overgaan. Tot de kopers van de aandelen behoorden de zus van de dga en de bedrijfsleider van bv Drie, een volle dochteronderneming van de houdstervennootschap. Deze kopers hebben op 17 november 2009 een gedeelte van de gekochte aandelen vervreemd aan de dochter van de dga.

In geschil bij Rechtbank Gelderland is of de economische eigendom van de aandelen bij de dga is gebleven en voorts is in geschil of de dga zijn eenmanszaak heeft gestaakt. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet heeft aangetoond dat het economische belang van de aandelen bij de dga is gebleven. Ook is niet aangetoond dat partijen de bedoeling hebben gehad de economische eigendom of de zeggenschap van de aandelen bij de dga te laten. Verder is niet aangetoond dat er stemafspraken tussen de kopers en de dga zijn gemaakt. Evenmin dat dividend op de verkochte aandelen aan de dga toe zou komen of waardeveranderingen van de verkochte aandelen bij de dga zouden komen. De inspecteur gaf aan te twijfelen aan de zakelijkheid van de koopprijs van de verkochte aandelen. Volgens de rechtbank had hij dan de onzakelijkheid moeten aantonen, daarin is hij niet geslaagd. De boekwinst op het aan bv Een verhuurde pand had de inspecteur in 2005 tot het resultaat uit overig werkzaamheden moeten rekenen.

De dga kan zijn stelling dat overdracht van de activiteiten van de eenmanszaak tijdelijk is niet aantonen. De rechtbank meent dat bij een tijdelijke overdracht het objectieve voornemen moet bestaan na korte tijd de activiteiten weer op te starten. De rechtbank vindt dat de inspecteur een dergelijk voornemen niet aannemelijk heeft gemaakt. Verhuur van een pand en de verhuur van vergunningen zijn volgens de rechtbank geen ondernemingsactiviteiten, zij gaan het normale vermogensbeheer niet te boven. Die vermogensbestanddelen moeten over naar box 3. De eenmanszaak is gestaakt en de inspecteur heeft terecht stakingswinst in aanmerking genomen.

Bron: Rb. Gelderland 10-01-2020, nr. AWB - 18 _ 3060 (gepubl. 10-02-2020) (ECLI:NL:RBGEL:2020:113)
Wet: art. 3.8, art. 3.90 en 3.92 Wet IB