Geruisloze omzetting eenmanszaak in BV leidde niet tot een incidenteel fiscaal voordeel (2015.23.3003)

04 juni 2015

Geruisloze omzetting eenmanszaak in BV leidde niet tot een incidenteel fiscaal voordeel (2015.23.3003) (Belastingrecht)

De redactie van V-N bespreekt de uitspraak van de Hoge Raad wanneer bij een geruisloze inbreng in een BV sprake is van een incidenteel fiscaal voordeel.
In het berechte geval werkte X voltijds in dienstbetrekking als bedrijfsjournalist. Tevens verrichtte hij werkzaamheden via zijn eenmanszaak. In verband met deze werkzaamheden ontving X in april 2007 een eenmalige bate van ruim € 700.000. Op advies van zijn belastingadviseur besloot X in september 2007 zijn eenmanszaak met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007 in te brengen in een besloten vennootschap. X liet in dit verband in september 2007 een intentieverklaring registreren tot het oprichten van een BV. Uiteindelijk werd de BV in maart 2008 opgericht. In april 2008 deed X een verzoek bij de inspecteur om een beschikking geruisloze omzetting af te geven met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007.

De inspecteur weigerde echter deze beschikking af te geven. Volgens hem haalde X namelijk door de geruisloze inbreng een incidenteel fiscaal voordeel. Het hof stelde de inspecteur in het gelijk.

De Hoge Raad heeft deze uitspraak onlangs vernietigd. De Hoge Raad oordeelt dat in casu geen sprake is geweest van het behalen een incidenteel fiscaal voordeel. Volgens de Hoge Raad is het tariefvoordeel, dat kan worden genoten bij de omzetting van de onderneming in een BV, niet een incidenteel, maar een permanent voordeel. Hier doet aan af dat in het berechte geval in de voorperiode een hoge incidentele bate is opgekomen.

De redactie van V-N wijst erop dat op grond van de zogenoemde standaardvoorwaarde bij een geruisloze inbreng ex art. 3.65 Wet IB de vennootschap binnen vijftien maanden na het overgangstijdstip tot stand dient te komen. De omzetting van de eenmanszaak in de BV dient eveneens binnen deze termijn plaats te vinden. De toelichting op de standaardvoorwaarden vermeldt dat terugwerkende kracht tot het begin van het lopende boekjaar is toegestaan. Vereist is dan wel dat de voorovereenkomst of intentieverklaring is opgesteld en geregistreerd binnen negen maanden na afloop van het laatste volledige boekjaar (bij een boekjaar gelijk aan het kalenderjaar moet registratie dus vóór 1 oktober plaatsvinden).

In de toelichting wordt vermeld dat de terugwerkende kracht niet wordt verleend indien dit tot gevolg zou hebben dat een incidenteel fiscaal voordeel zou worden behaald met de inbreng in de BV.
In de voorliggende casus genoot X eenmalig een extra omzet van ruim € 700.000 in de voorperiode. Toekenning van terugwerkende kracht aan de geruisloze inbreng had tot gevolg dat deze bate niet in box 1 werd belast tegen het tabeltarief van (maximaal) 52%, maar tegen een VPB-tarief van 25% in combinatie met een uitgestelde IB-heffing in box 2.

De Hoge Raad oordeelt, evenals A-G Wattel, dat de inbreng in de BV niet leidt tot het behalen van een incidenteel fiscaal voordeel. Nu alle toekomstige baten worden geconfronteerd met dezelfde gecombineerde druk van vennootschapsbelasting en aanmerkelijkbelangheffing, is er immers sprake van een permanent voordeel. Dat voorafgaand aan het opstellen van de intentieverklaring een incidenteel hoge bate wordt genoten, doet daar niet aan af. De terugwerkende kracht dient daarom te worden toegestaan.

De redactie acht de uitspraak van de Hoge Raad juist. Volgens de redactie zou bijvoorbeeld wel sprake zijn van het behalen van een incidenteel voordeel indien door de regimewijziging een belastingclaim verloren zou gaan.

Hoge Raad, 22 mei 2015, 14/01521, V-N 2015/25.9 (JB)