Ruisende omzetting eenmanszaak (2013.20.3003)

16 mei 2013

Ruisende omzetting eenmanszaak (2013.20.3003) (Belastingrecht)

Hoewel het op het eerste gezicht vanzelfsprekend lijkt om de omzetting van een eenmanszaak in een BV geruisloos te laten plaatsvinden, hoeft dit niet per definitie de meest voordelige keuze te zijn. Zo kan ook in het geval van de ruisende omzetting de heffing worden uitgesteld, bijvoorbeeld door middel van omzetting van de stakingswinst in een lijfrente. In deze bijdrage gaat de auteur in op de fiscale gevolgen van een ruisende omzetting en de mogelijkheden om de heffing van inkomstenbelasting op het moment van omzetting zo veel mogelijk te beperken. Naast de fiscale gevolgen zullen echter ook niet fiscale overwegingen een rol spelen bij de keuze tussen de eenmanszaak of de BV.
In geval van een ruisende omzetting van een eenmanszaak in een BV wordt de onderneming vanuit privé ingebracht in de BV. Als tegenprestatie voor de inbreng worden aan de ondernemer aandelen in de BV uitgereikt. De inbreng leidt ertoe dat de subjectieve onderneming wordt gestaakt en dat er een eindafrekening plaatsvindt in de inkomstenbelasting. Als niet wordt gekozen voor een geruisloze omzetting, dient er te worden afgerekend. Het gedeelte van de totale winst dat nog niet in de jaarwinst is begrepen, wordt bij staking van de onderneming alsnog tot de belastbare winst gerekend. Dit wordt de stakingswinst genoemd. 
De stakingswinst van een onderneming kan uit verschillende componenten bestaan. Dit zijn de stille reserves in de activa en passiva, eventuele zakelijke goodwill, de desinvesteringsbijtelling en de fiscale reserves die vrijvallen als gevolg van de staking van de onderneming. De auteur licht deze componenten afzonderlijk toe. 
Vervolgens gaat zij in op de faciliteiten die in de inkomstenbelasting bestaan om de heffing van inkomstenbelasting bij staking te beperken. Dit betreft de stakingsaftrek, de faciliteit tot omzetting van de oudedagsreserve in een lijfrente en de faciliteit tot omzetting van (een gedeelte van) de stakingswinst in een lijfrente. Deze faciliteiten worden één voor één behandeld. Bij de laatste faciliteit wordt tevens een cijfervoorbeeld gegeven. 
Indien de mogelijkheden die bij ruisende omzetting bestaan om de heffing van inkomstenbelasting door te schuiven naar de toekomst worden vergeleken met de geruisloze omzetting, zijn deze mogelijkheden relatief beperkt. De belangrijkste hindernissen zijn volgens de auteur het maximum voor wat betreft de omzetting van stakingswinst in een lijfrente en het voortzettingsvereiste in verband met de kwalificatie van de overnemende BV als toegelaten aanbieder. In de praktijk kunnen deze voorwaarden onverwacht zeer beperkend werken, derhalve raadt de auteur aan om altijd met een specialist de mogelijkheden door te nemen bij de keuze tussen de geruisloze en ruisende inbreng. 

K.J.M. van Bommel, VP-bulletin 2012, nummer 9 (YP)