Home

Forfaitair voordeel ingeval van immigratie in de loop van het jaar  

Forfaitair voordeel ingeval van immigratie in de loop van het jaar  

Gegevens

Kenmerk
KG:003:2023:5
Publicatiedatum
22 augustus 2023
Bron
Kennisgroepen Standpunten
Status
Vervallen

Aanleiding

X woont in de Verenigde Staten (VS). Hij bezit alle aandelen in een (niet-transparante) US LLC. De bezittingen van de LLC bestaan uit beleggingen. In de loop van 2022 immigreert X naar Nederland, terwijl de LLC in de VS gevestigd blijft. De LLC kwalificeert als een vennootschap in de zin van artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

Vraag

Wordt bij X in 2022 een forfaitair voordeel op grond van artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 in aanmerking genomen? En zo ja, op welke wijze wordt dit voordeel berekend?

Antwoord

Ja, in het immigratiejaar wordt bij X een forfaitair voordeel in aanmerking genomen. Het forfaitair voordeel wordt berekend naar de waarde in het economische verkeer van de aandelen in de LLC per 1 januari 2022 en vervolgens gecorrigeerd naar de periode dat X in 2022 in Nederland woonde.

Beschouwing

Wordt bij X een forfaitair voordeel in aanmerking genomen?

Op grond van artikel 4.12 Wet IB 2001 is inkomen uit aanmerkelijk belang het gezamenlijke bedrag van reguliere voordelen en vervreemdingsvoordelen. Artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 breidt de reguliere voordelen uit met onder meer een forfaitair voordeel uit aandelen in een niet in Nederland gevestigde vennootschap waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en waarvan de bezittingen grotendeels, direct of indirect, bestaan uit beleggingen. Vaststaat dat de LLC kwalificeert als een vennootschap in de zin van artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001. De regeling van het forfaitair voordeel is dus van toepassing op de aandelen in de LLC.

Artikel 4.14, eerste lid, Wet IB 2001 sluit voor de bepaling van het forfaitair voordeel aan bij de waarde die bij het begin van het kalenderjaar aan de tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen kan worden toegerekend.

De vraag die hierbij opkomt is of deze datum van 1 januari uitsluitend dient als peildatum voor de waarde van de aandelen of ook als toetsmoment voor de bepaling van het belastbare feit.

Uit de opbouw van de wet volgt dat deze datum niet van belang is voor het belastbare feit. De bepalingen over het belastbare feit en over de omvang daarvan zijn immers in afzonderlijke paragrafen (en artikelen) opgenomen.

Voor de vraag of een forfaitair voordeel in aanmerking genomen moet worden, is dus niet vereist dat bij het begin van het kalenderjaar aan de voorwaarden van artikel 4.13, eerste lid, letter a Wet IB 2001 wordt voldaan.

Zie in dit verband de uitspraak van Hof 's-Hertogenbosch van 25 april 2002 (ECLI:NL:GHSHE:2002:AE3741). In die zaak besliste het Hof dat de datum van 1 januari niet geldt als toetsmoment voor het belastbaar feit onder artikel 29a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964), de voorloper van de huidige regeling inzake het forfaitaire voordeel. De belanghebbende in deze beroepsprocedure belegde in een in Nederland gevestigde vennootschap en na verplaatsing van de feitelijke leiding op 8 juli 1992 van deze vennootschap naar de Nederlandse Antillen belegde de belanghebbende in een buiten Nederland gevestigde vennootschap. Het Hof overwoog in r.o. 5.2:

“(…) Naar het oordeel van het Hof valt in de tekst van artikel 29a, eerste lid, eerste volzin Wet IB 1964 niet te lezen de eis, dat de eerder bedoelde vennootschap reeds aan het begin van het desbetreffende jaar niet in Nederland gevestigd zou moeten zijn. Het Hof is derhalve van oordeel, dat reeds op grond van de tekst van artikel 29a, eerste lid, eerste volzin Wet IB 1964 een voordeel uit de aandelen Beheersmaatschappij A B.V. tot het inkomen van de belanghebbende moet worden gerekend.”

In r.o. 5.3 oordeelt het Hof dat ook op grond van doel en strekking dit voordeel tot het inkomen van de belanghebbende moet worden gerekend:

“(…)  Het Hof is ook op grond van dit doel en deze strekking van oordeel, dat in het onderhavige jaar een voordeel uit de aandelen Beheersmaatschappij A B.V. tot het inkomen van de belanghebbende moet worden gerekend. Immers, de belanghebbende belegde in een in Nederland gevestigde vennootschap en na verplaatsing van de feitelijke leiding op 8 juli 1992 van Beheersmaatschappij A B.V. naar Curaçao, Nederlandse Antillen belegde de belanghebbende in een buiten Nederland gevestigde vennootschap, terwijl hij gedurende het gehele kalenderjaar alle aandelen in Beheersmaatschappij A B.V. bezat.” 

Op welke wijze wordt het forfaitair voordeel berekend?