Inkoop en doorlevering om niet (10-1-j en 10c Wet Vpb 1969)
Inkoop en doorlevering om niet (10-1-j en 10c Wet Vpb 1969)
Gegevens
- Kenmerk
- KG:011:2023:15
- Publicatiedatum
- 5 december 2023
- Bron
- Kennisgroepen Standpunten
- Status
- Geldig
Aanleiding
Aan de Kennisgroep bijzondere winstbepalingen vpb is een vraag gesteld over de aftrekbaarheid van kosten die voortvloeien uit een certificaatspaarplan voor werknemers, waarbij een belastingplichtige toegezegde certificaten inkoopt op de beurs en sommige pas na een aantal maanden om niet uitreikt aan deelnemers van het plan. De casus is als volgt:
X BV heeft een certificaatspaarplan voor haar personeel. Op grond van dit spaarplan hebben werknemers de mogelijkheid om vanuit het nettosalaris jaarlijks een beperkt aantal certificaten van aandelen X BV te kopen. Iedere werknemer die deelneemt aan het certificaatspaarplan, krijgt vervolgens eenzelfde aantal certificaten om niet van X BV (hierna: de bonuscertificaten). Deelname aan het certificaatspaarplan geschiedt op vrijwillige basis en de toekenning van certificaten is binnen het plan onvoorwaardelijk.
De inkoop van certificaten in X BV vindt plaats via een (digitaal) handelsplatform, vergelijkbaar met een beurs. De certificaten kunnen slechts op enkele momenten (handelsdagen) in het jaar worden ingekocht.
X BV bekijkt aan het begin van het boekjaar hoeveel certificaten er op basis van het certificaatspaarplan ingekocht moeten worden en benut daarvoor het eerst mogelijke inkoopmoment. Afrekening voor de door de medewerkers gekochte certificaten vindt plaats tegen de gemiddeld gewogen beurskoers op het moment van levering. Indien de werknemer aangeeft niet tegen deze koers te willen kopen, vervalt ook het recht op toekenning van de bonuscertificaten.
Het komt voor dat X BV in een periode meer certificaten inkoopt dan zij levert aan haar werknemers ter voldoening aan haar leveringsverplichting. Deze teveel ingekochte certificaten blijven altijd gekoppeld aan het certificaatspaarplan en worden na maximaal een half jaar alsnog aan werknemers geleverd.
Op een handelsdag wordt altijd een even aantal certificaten ingekocht, zodat een om-niet bonuscertificaat altijd gelijktijdig wordt geleverd met een certificaat waar de werknemer voor heeft betaald.
Vragen
Kwalificeren de kosten van toekennen van het recht op bonuscertificaten als kosten in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel j, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: artikel 10-1-j Wet Vpb 1969), waardoor deze niet in aftrek kunnen worden gebracht?
Valt het waardeverloop van de bonuscertificaten in de periode tussen toekenning en inkoop in de belastbare winst van belastingplichtige?
Valt het waardeverloop van de bonuscertificaten in de periode tussen inkoop en levering in de belastbare winst van belastingplichtige?
Antwoorden
Ja. De kosten van de toekenning van het recht op bonuscertificaten vallen onder de aftrekbeperking van artikel 10-1-j Wet Vpb 1969.
De waardeontwikkeling van de toegekende bonuscertificaten vanaf het moment van toekenning tot aan het moment van inkoop valt in de kapitaalsfeer en raakt de winst niet.
De inkoop van de certificaten valt onder artikel 10c Wet Vpb 1969. De vermogensachteruitgang die optreedt bij de doorlevering van de bonuscertificaten aan het personeel om niet blijft buiten aanmerking bij het bepalen van de winst van X BV.
Beschouwing vraag 1
1.1. Met de inschrijving op het certificaatspaarplan krijgt de werknemer een recht om certificaten van aandelen in X BV te verwerven. Op grond van artikel 10-1-j Wet Vpb 1969 komt deze toekenning van rechten bij het bepalen van de winst van X BV niet in aftrek. De wettekst van artikel 10-1-j Wet Vpb 1969 luidt namelijk als volgt:
“de uitreiking of toekenning van aandelen in dat kapitaal of in dat van een met die vennootschap verbonden lichaam, van winstbewijzen in de vennootschap of in een met die vennootschap verbonden lichaam, alsmede van rechten om aandelen in dat kapitaal of winstbewijzen in de vennootschap of een daarmee verbonden lichaam te verwerven of van daarmee gelijk te stellen rechten, daaronder begrepen aan werknemers van wie het loon op jaarbasis meer bedraagt dan € 591.000 toegekende rechten waarvan de waarde hoofdzakelijk direct of indirect wordt bepaald door de waardeverandering van die aandelen of winstbewijzen.”
1.2. Artikel 10-1-j Wet Vpb 1969 spreekt over 'rechten om aandelen te verwerven'. Ook het recht om certificaten te verwerven valt onder het toepassingsbereik van artikel 10-1-j Wet Vpb 1969. Het recht om certificaten te verwerven is namelijk gelijk te stellen met het recht om aandelen te verwerven en valt daarmee onder de zinssnede 'of van daarmee gelijk te stellen rechten'. Bovenstaande volgt uit de wetgeschiedenis. Het begrip ‘daarmee gelijk te stellen rechten’ kwam al voor in artikel 9, eerste lid, onderdeel i, Wet Vpb 1969. De bewuste zinssnede is daarin opgenomen via een nota van wijziging. Met het opnemen van deze zinssnede werd beoogd de tekst van artikel 9, eerste lid, onderdeel i, Wet Vpb 1969 meer af te stemmen op die van artikel 10a, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) (Kamerstukken II 2000/01, 27896, nr. 5, p. 11 en Kamerstukken II 2000/01, 27896, nr. 6, p. 3). Uit de wetsgeschiedenis van artikel 10a Wet LB 1964 volgt dat de zinssnede ‘daarmee gelijk te stellen rechten’ onder meer betrekking heeft op opties op certificaten van aandelen (Kamerstukken II 1997/98, 25721, nr. 3, p. 8):
“(…) Met betrekking tot de zinsnede «of een daarmee gelijk te stellen recht», met andere woorden «met aandelenoptierechten gelijk te stellen rechten», wordt bijvoorbeeld gedoeld op optierechten op certificaten van aandelen, optierechten op opties van aandelen of certificaten en conversierechten verbonden aan converteerbare obligaties.”
1.3. De gelijkstelling van het recht om certificaten te verwerven met het recht om aandelen te verwerven vindt ook steun in de optiejurisprudentie. In het arrest HR 21 februari 2001 ECLI:NL:HR:2001:AB0158, is sprake van opties op certificaten van aandelen. Aan de specifieke duiding van het recht (certificaten) is door de Hoge Raad in haar dictum geen aandacht geschonken. Sterker nog, de Hoge Raad noemt in haar uitspraak het woord 'certificaat' niet eens. Blijkbaar acht de Hoge Raad deze opties op certificaten van aandelen zo vergelijkbaar met opties op aandelen dat de Hoge Raad zonder nadere overweging beslist dat sprake is van een optie op aandelen in de vennootschap.
1.4. Uit bovenstaande volgt dat de toekenning van het recht om certificaten te verwerven gelijk kan worden gesteld met de toekenning van het recht om aandelen te verwerven.
1.5. Het moment van toekenning is volgens de Hoge Raad het moment waarop ondernemingskosten worden gemaakt (zie o.a. HR 21 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0155 en HR 16 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1719). In de onderhavige casus valt het moment van toekennen samen met het moment waarop de werknemers zich inschrijven op het certificaatspaarplan. Op dat moment verwerven de werknemers namelijk een recht op bonuscertificaten en ontstaat er voor X BV een voorwaardelijke verplichting tot levering van deze bonuscertificaten jegens de werknemers. Door de invoering van artikel 10-1-j Wet Vpb 1969 komt deze toekenning bij het bepalen van de winst van X BV niet in aftrek.
1.6. Het feit dat er in casu uiteindelijk geen nieuwe certificaten worden uitgegeven maar via een extern handelsplatform worden ingekocht, doet aan de toepasbaarheid van artikel 10-1-j Wet Vpb 1969 niet af (Kamerstukken II 2016/17, 34552, nr. 14 p. 74):
“(..) Op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel j, van de Wet Vpb 1969 is de uitreiking of toekenning van onder meer aandelen in een vennootschap of rechten om aandelen te verwerven in een vennootschap niet aftrekbaar. Deze aftrekbeperking is ook van toepassing als uitreiking of toekenning plaatsvindt aan werknemers. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen aandelen die door de vennootschap die de aandelen uitreikt of toekent, zijn ingekocht of uitgegeven.”
Beschouwing vraag 2
2.1. In deze casus vindt de inkoop van certificaten door X BV plaats op een aantal handelsdagen per jaar. De verplichting tot levering van de bonuscertificaten zal gedurende de periode tussen het moment van toekenning (inschrijving door werknemers op het certificaatspaarplan) en het moment van inkoop van de certificaten muteren omdat de werknemers op het moment van toekenning het recht hebben gekregen om een aantal bonuscertificaten te verwerven. De koers van de certificaten staat pas vast op het moment dat de bonuscertificaten daadwerkelijk geleverd worden.
2.2. Het personeel dat bonuscertificaten toegekend heeft gekregen, maar nog wacht op levering heeft evenzeer als een echte aandeelhouder belang bij de aandelen. Daarmee sluit de zogenoemde pseudo-aandeelhouders doctrine van (o.a.) HR 21 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0155 en ECLI:NL:HR:2001:AB0158, waaraan ook in de parlementaire geschiedenis van artikel 10-1-j Wet Vpb 1969 wordt gerefereerd (Kamerstukken II 2005/6, 30572, nr. 3, p. 48) hierbij aan. De kern van deze jurisprudentie is het zogenoemde pseudo-aandeelhouderschap van de optiegerechtigde:
“De houder van een optie op aandelen in de vennootschap die het optierecht heeft verleend, staat tot die vennootschap in een rechtsbetrekking die zodanig overeenkomt met die van een aandeelhouder, dat alle transacties tussen hem en de vennootschap op gelijke voet als geldt voor de aandeelhouder buiten de winstsfeer worden afgewikkeld. Het waardeverloop van de optie heeft derhalve geen invloed op het fiscale resultaat. (...)”.
2.3. Deze pseudo-aandeelhouderschapsdoctrine geldt ook als er sprake is van (optierechten op) certificaten. Ook in genoemd arrest HR 21 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0158 was namelijk sprake van (optierechten op) certificaten.
2.4. Toepassing van de pseudo-aandeelhouderschapsdoctrine leidt ertoe dat het recht op bonuscertificaten na toekenning buiten de winstsfeer ligt en dus het fiscale resultaat niet beïnvloedt. De fiscale behandeling van het recht op bonuscertificaten gaat op het moment van toekenning over naar de kapitaalsfeer en alle (al dan niet toekomstige) lasten, zoals de waardemutaties van het toegekende recht op bonuscertificaten in X BV, zijn uit dien hoofde niet aftrekbaar.