Home

Verdrag NL-GBR, pensioenartikel, afkoopbepaling

Verdrag NL-GBR, pensioenartikel, afkoopbepaling

Gegevens

Kenmerk
KG:041:2026:1
Publicatiedatum
2 februari 2026
Bron
Kennisgroepen Standpunten
Status
Geldig

Aanleiding

Een inwoner van het Verenigd Koninkrijk (hierna: VK) koopt een Nederlandse lijfrente af vóór het tijdstip van aanvang van de periodieke uitkering daarvan (situatie A).

Een inwoner van Nederland koopt een Brits pensioen af op of rond het aanvangsmoment van de periodieke AOW-uitkering in Nederland (situatie B).

Vragen

  1. Valt in situatie A de (afkoopsom van de) Nederlandse lijfrente onder de reikwijdte van de afkoopbepaling van artikel 17, derde lid, Verdrag Nederland-Verenigd Koninkrijk 2008 (hierna: Verdrag)?

  2. Is in situatie B het aanvangsmoment van de periodieke AOW-uitkering het relevante moment ("tijdstip van aanvang van een periodiek pensioen") als bedoeld in artikel 17, derde lid, tweede volzin, Verdrag?

Antwoorden

  1. Nee. De (afkoopsom van de) Nederlandse lijfrente valt in situatie A niet onder de reikwijdte van artikel 17, derde lid, Verdrag, nu het geen Nederlands tweedepijlerpensioen is.

  2. Nee. Het relevante moment in situatie B is het (eigenlijke) aanvangsmoment van de periodieke uitkering van specifiek het pensioen dat wordt afgekocht en niet dat van een andere pensioenuitkering. Daarbij komt dat de AOW-uitkering geen Nederlands tweedepijlerpensioen is en daarmee geen pensioen als bedoeld in artikel 17, derde lid, Verdrag. Ook om die reden is het aanvangsmoment van de periodieke uitkering daarvan niet van belang.

Beschouwing

Juridisch kader voor beide situaties

Artikel 17, eerste tot en met derde lid, Verdrag luiden als volgt:

"1 Pensioenen en andere soortgelijke beloningen (met inbegrip van pensioenen betaald ingevolge een socialezekerheidsstelsel en lijfrenten) betaald aan een inwoner van een Verdragsluitende Staat zijn slechts in die Staat belastbaar.

2 Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid van dit artikel, mogen betalingen waarop dat lid van toepassing is ook worden belast in de Verdragsluitende Staat van waaruit zij afkomstig zijn in overeenstemming met de wetgeving van die Staat, indien:

  1. het recht tot vordering van de betalingen in die Staat is vrijgesteld van belasting, of bijdragen die verband houden met de betalingen in aanmerking zijn genomen voor fiscale faciliëring in die Staat; en

  1. de betalingen niet worden belast in de Verdragsluitende Staat waarvan de ontvanger inwoner is of in een derde staat tegen het algemeen van toepassing zijnde belastingtarief voor inkomsten verkregen uit dienstbetrekking, of minder dan 90 percent van het brutobedrag van de betalingen wordt belast.

De voorgaande bepalingen van dit lid zijn uitsluitend van toepassing indien de totale brutobetalingen die, ingevolge de voorgaande bepalingen, belastbaar zouden zijn in de Verdragsluitende Staat waaruit zij afkomstig zijn, in het desbetreffende belastingjaar een bedrag van 25.000 euro overschrijden.

3 Niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid van dit artikel, indien een afkoopsom wordt betaald vóór de datum waarop het pensioen ingaat, mag deze worden belast in de Verdragsluitende Staat waaruit deze afkomstig is. Indien de afkoopsom echter wordt betaald op of rond het tijdstip van aanvang van een periodiek pensioen, is deze slechts in die Staat belastbaar."

Op grond van artikel 3, tweede lid, Verdrag worden niet in het Verdrag gedefinieerde uitdrukkingen – kort gezegd – uitgelegd naar de betekenis die deze uitdrukkingen hebben in de nationale (fiscale) wetgeving.

Het Verdrag wordt verder uitgelegd met toepassing van de artikelen 31 tot en met 33 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (hierna: Verdrag van Wenen). Artikel 31 van het Verdrag van Wenen bepaalt – voor zover hier van belang – dat een verdrag te goeder trouw moet worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag. De context van een verdrag omvat naast de tekst en preambule en bijlagen, iedere overeenstemming die betrekking heeft op het verdrag en die bij het sluiten van het verdrag tussen de partijen is bereikt en iedere akte die is opgesteld bij het sluiten van het verdrag en door de partijen is erkend als betrekking hebbende op het verdrag. Volgens artikel 32 van het Verdrag van Wenen kan een beroep worden gedaan op aanvullende middelen van uitlegging en in het bijzonder op voorbereidende werkzaamheden en de omstandigheden waaronder het verdrag is gesloten, om de betekenis die voortvloeit uit de toepassing van artikel 31 van het Verdrag van Wenen te bevestigen.

1.   Situatie A

2.   Situatie B