Terugname van vrijstelling overdrachtsbelasting bij bedrijfsoverdracht bij tussentijds, vóór voltooiing van de bedrijfsoverdracht, inbrenging in de BV van een eerder fase verkregen deel van de onderneming
Terugname van vrijstelling overdrachtsbelasting bij bedrijfsoverdracht bij tussentijds, vóór voltooiing van de bedrijfsoverdracht, inbrenging in de BV van een eerder fase verkregen deel van de onderneming
Gegevens
- Kenmerk
- KG:052:2026:1
- Publicatiedatum
- 14 januari 2026
- Bron
- Kennisgroepen Standpunten
- Status
- Geldig
Aanleiding
Vader en moeder exploiteerden gezamenlijk een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: vof). De economische eigendom van een onroerende zaak is ingebracht in de vof.
Een kind is tot de vof toegetreden, waarbij zowel een aandeel in de (subjectieve) onderneming van vader als van moeder is verkregen. Het kind heeft een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR) wegens een (gefaseerde) bedrijfsoverdracht. Uit de vof-akte volgt het overnameplan.
Moeder is vervolgens in de loop van de tijd uit de vof getreden en heeft haar (resterende) vof-aandeel (subjectieve onderneming) overgedragen aan het kind. Ook voor deze verkrijging is een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR. Het kind en vader hebben de vof gezamenlijk voortgezet.
Het kind brengt twee jaar later zijn subjectieve onderneming (zijn aandeel in de vof) in een besloten vennootschap (hierna: bv), waarvan het kind alle aandelen houdt.
Vraag
Leidt de inbreng door het kind van zijn - met toepassing van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR, vrijgesteld verkregen - subjectieve onderneming in de bv ertoe dat de eerder verleende vrijstelling wordt teruggenomen?
Antwoord
Ja. Voor zover de vrijstelling betrekking heeft op de verkrijging van (het gedeelte van) de subjectieve onderneming van vader.
Beschouwing
Beoordeling
De vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR vereist dat het kind de onderneming voor wat betreft de bedrijfsvoering in haar geheel (al dan niet in fasen) voortzet. Voortzetting van de gehele bedrijfsvoering kan pas aan de orde zijn zodra de (gefaseerde) bedrijfsoverdracht is voltooid.
Zodra sprake is van een tussentijdse (gedeeltelijke) bedrijfsoverdracht door het kind aan een bv, kan niet (meer) worden voldaan aan de voorwaarde dat de onderneming in haar geheel door het kind wordt voortgezet. De vrijstelling - voor zover die betrekking heeft op de verkrijging van het gedeelte van de onderneming (het vof-aandeel) van vader - wordt in het voorliggende geval daarom teruggenomen.
Als de onderneming in het kader van een bedrijfsoverdracht in fasen wordt overgedragen, kan de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR in iedere fase voorwaardelijk toepassing vinden. Dit geldt mits sprake is van een concreet overnameplan. Op basis van dit overnameplan wordt uiteindelijk de gehele onderneming overgedragen.
Voor de toepassing van de vrijstelling wordt de (over te dragen) onderneming wat betreft haar bedrijfsvoering in haar geheel voortgezet door een kwalificerende verkrijger.
De wet beperkt toepassing van de vrijstelling tot de verkrijging door de in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR genoemde kwalificerende verkrijgers. Wordt de overgedragen onderneming of een gedeelte daarvan voortgezet of mede voortgezet door een niet kwalificerende verkrijger (bijvoorbeeld een rechtspersoon), dan is de vrijstelling niet (meer) van toepassing op de (eerdere) verkrijging(en) door de kwalificerende verkrijger.
In deze casus heeft een kwalificerende verkrijger (kind) gedurende de gefaseerde bedrijfsoverdracht het reeds verkregen deel van de (subjectieve) onderneming ingebracht in een bv (een niet kwalificerende verkrijger). Op het moment van inbreng was de gehele subjectieve onderneming van moeder al op een eerder moment door het kind verkregen. De voorwaardelijke vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR heeft ter zake van de verkrijging van deze subjectieve onderneming een definitief karakter gekregen. Dit geldt niet voor de (subjectieve) onderneming van vader, omdat deze nog niet geheel door het kind is verkregen. Door de tussentijdse inbreng in een bv kan het kind niet langer voldoen aan de voorwaarde dat het de (subjectieve) onderneming die oorspronkelijk van vader was, in haar geheel voortzet.
Onderdeel 2.1 van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 17 oktober 2024, nr. 2024-10969 (hierna: Besluit) bevat een goedkeuring voor de situatie waarin een ondernemer zijn onderneming, inclusief onroerende zaken, aan een familielid heeft overgedragen met toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR. Het gaat hier om een situatie van een voltooide bedrijfsoverdracht waarbij het familielid aldus de volledige onderneming van de overdragende ondernemer heeft verkregen en de genoemde vrijstelling als gevolg daarvan in beginsel kan worden toegepast. De goedkeuring bewerkstelligt dat de inbreng van de door het familielid verkregen volledige onderneming in de bv er niet toe leidt dat de vrijstelling wordt teruggenomen. De goedkeuring heeft daarom alleen betrekking op het voortzettingsvereiste nadat voorafgaand aan de inbreng in de bv sprake was van een voltooide bedrijfsoverdracht aan het familielid. Omdat in het voorliggende geval nog geen sprake is van een voltooide bedrijfsoverdracht kan de goedkeuring hier geen uitkomst bieden.
Uit de wet- en regelgeving volgt dat de (voorwaardelijke) vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR pas definitief is nadat de gehele onderneming is overgedragen aan een kwalificerende verkrijger en door die verkrijger in zijn geheel wordt voortgezet.