Vrijwillige bewonersbijdrage en de giftenaftrek
Vrijwillige bewonersbijdrage en de giftenaftrek
Gegevens
- Kenmerk
- KG:202:2022:10
- Publicatiedatum
- 23 februari 2023
- Bron
- Kennisgroepen Standpunten
- Status
- Geldig
Aanleiding
De bewoners van een verpleeghuis kunnen een vrijwillige bewonersbijdrage doen. Het verpleeghuis is een Algemeen Nut Beogende Instelling (hierna: ANBI). Met de bijdrage worden activiteiten voor de bewoners georganiseerd. De activiteiten staan open voor alle bewoners van het verpleeghuis. De hoogte van de vrijwillige bewonersbijdrage is afhankelijk van het aantal bewoners dat bereid is de bijdrage te betalen. De hoogte van de bijdrage wordt als volgt bepaald: kosten van de te organiseren activiteiten gedeeld door het verwachte aantal bewoners dat de bijdrage wil betalen. Hoe meer bewoners bijdragen, hoe lager de bijdrage en vice versa.
Vraag
Is de vrijwillige bewonersbijdrage aftrekbaar als gift in de zin van artikel 6.32, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)?
Antwoord
Nee. De vrijwillige bewonersbijdrage kwalificeert dikwijls als een verplichting uit moraal en fatsoen. Voor zover wel sprake is van een bevoordeling uit vrijgevigheid, vormen de door het verpleeghuis georganiseerde activiteiten voor de bewoners een directe tegenprestatie. De vrijwillige bewonersbijdrage is een bekostiging van deze tegenprestatie. Deze bijdrage is niet splitsbaar. Er is dan geen sprake van een gift in de zin van artikel 6.32, onderdeel b, Wet IB 2001.
Beschouwing
In artikel 6.33 Wet IB 2001 staat de definitie van giften. Onder een gift wordt verstaan:
“Bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat”.
Eerst moet worden bepaald of sprake is van een bevoordeling uit vrijgevigheid of dat sprake is van een verplichte bijdrage. In dit geval is geen sprake van een verplichte bijdrage, dus moet worden gekeken of sprake kan zijn van een bevoordeling uit vrijgevigheid.
Bevoordeling uit vrijgevigheid
Voor een bevoordeling uit vrijgevigheid moet aan twee voorwaarden worden voldaan:
er moet sprake zijn van een waardeverschuiving; en
vrijgevigheid.
De Hoge Raad heeft dit als volgt geformuleerd: een bevoordeling (in materiële zin) uit vrijgevigheid van een aanwijsbare bevoordeelde (HR 27 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2654).
In 2003 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een ouderbijdrage die ziet op bekostiging van een speciale vorm van onderwijs (i.c. Vrije School) niet kan worden beschouwd als een bevoordeling uit vrijgevigheid, maar moet worden beschouwd als het voldoen aan een verplichting van moraal of fatsoen:
“Alsdan moet de in geding zijnde betaling worden gelijkgesteld met een betaling waarvoor recht op onderwijs volgens de principes van de School, zijnde een op geld waardeerbare aanspraak, wordt verkregen” (HR 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:BI8336).
In onderhavige casus betalen de bewoners een bedrag voor activiteiten waaraan zij zelf mogen deelnemen. De bewoners die deel willen nemen aan deze activiteiten zullen zich ook verplicht voelen om deze bijdrage te leveren. In dat geval is sprake van nakoming van een verplichting van moraal en fatsoen (men voelt zich verplicht om een bijdrage te leveren). In dat geval is geen sprake van een gift, waardoor de vrijwillige bewonersbijdrage niet aftrekbaar is als gift.
Mocht in een voorkomend geval geen sprake zijn van nakoming van een verplichting van moraal en fatsoen, dan is wel sprake van een bevoordeling uit vrijgevigheid. Zie hiervoor onder meer de uitspraak inzake een bijdrage van een speler bij een Harmonie die een vrijwillige bijdrage doet om het voortbestaan van de Harmonie te kunnen garanderen (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 12 april 2002, ECLI:NL:GHSHE:2002:AE2531 bevestigd door de Hoge Raad 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3947). In dat geval is de bewonersbijdrage alleen aftrekbaar als gift, als geen sprake is van een directe tegenprestatie.