Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11-02-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:325, 24/545
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11-02-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:325, 24/545
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 11 februari 2026
- Datum publicatie
- 24 maart 2026
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:325
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:2191, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 24/545
- Relevante informatie
- Art. 8:75 Awb, Art. 41 EVRM
Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft het belastbaar inkomen box 3 verminderd en daarbij de inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van wettelijke rente over de periode tussen de datum van betaling van de in strijd met het EVRM geheven box 3-heffing en de datum van terugbetaling daarvan.
Onder verwijzing naar het arrest van de HR van 6 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:756) heeft het hof geoordeeld dat de wettelijke rente over het bedrag van de belastingvermindering, gerekend vanaf de betaling daarvan, het bedrag van de belastingvermindering niet kan hebben overschreden, hetgeen leidt tot de conclusie dat met de vermindering van de aanslag voldoende rechtsherstel is geboden en dat geen aanleiding bestaat om een vergoeding van rente aan belanghebbende toe te kennen. Het hoger beroep van de inspecteur is gegrond.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/545
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 april 2024, nummer BRE 20/6587 in het geding tussen de inspecteur en
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekering voor het jaar 2018 opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben tevens nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen op 29 januari 2026 schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2 Feiten
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 4 april 2024 het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil met handhaving van de overige elementen van de aanslag. De vermindering bedraagt € 4.642. Daarnaast heeft de rechtbank de inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van wettelijke rente over de periode tussen de datum van betaling van de in strijd met het EVRM geheven box 3-heffing en de datum van terugbetaling daarvan. Tot slot heeft de rechtbank de inspecteur gelast het griffierecht te vergoeden.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht is veroordeeld tot het vergoeden van wettelijke rente.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de vergoeding van wettelijke rente.